ECLI:NL:CRVB:2026:245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/747 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen

Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker huishouding en meldde zich op 2 februari 2018 ziek. Na herstelverklaring in 2019 en een nieuwe ziekmelding in 2020 ontving zij een Ziektewet-uitkering. Het UWV weigerde later een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en stelde dat zij geschikt was voor andere functies. Na een nieuwe ziekmelding in oktober 2022 weigerde het UWV de ZW-uitkering omdat appellante geschikt werd geacht voor de eerder geselecteerde functies.

Appellante stelde dat haar beperkingen waren toegenomen, met name door de wisselwerking tussen paniekstoornis en agorafobie, en dat de medische beoordeling onvoldoende zorgvuldig was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de medische beperkingen niet waren toegenomen.

In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke deskundige die na onderzoek en dossierstudie concludeerde dat er geen toename van beperkingen was en dat appellante geschikt bleef voor de geselecteerde functies. De Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt, waardoor de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering omdat appellante niet meer beperkingen heeft en geschikt is voor de geselecteerde functies.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/747 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 februari 2024, 23/4537 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 14 oktober 2022 heeft geweigerd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft geweigerd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 oktober 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.S. Träger.
Na de zitting is het onderzoek heropend.
De Raad heeft verzekeringsarts R. Ouwens benoemd als onafhankelijke deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 9 juli 2025 heeft de deskundige een rapport uitgebracht.
Nadat partijen hun zienswijze op het rapport van de deskundige naar voren hebben gebracht, heeft de deskundige hierop desgevraagd gereageerd met een rapport van 8 oktober 2025.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Appellante heeft verzocht om een zitting.
Het onderzoek ter nadere zitting heeft op 21 januari 2026 plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker huishouding. Op 2 februari 2018 heeft appellante zich ziekgemeld. Per 1 februari 2019 is appellante na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het Uwv hersteld verklaard.
1.2.
Op 18 februari 2020 heeft appellante zich ziekgemeld vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving. Aan appellante is een ZWuitkering toegekend. Het Uwv heeft bij besluit van 27 januari 2022 geweigerd aan appellante met ingang van 15 februari 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het tegen dit besluit van 27 januari 2022 gerichte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2022 nietontvankelijk verklaard en tegen dit besluit van 16 maart 2022 is geen beroep aangetekend.
1.3.
Appellante heeft per 15 februari 2022 een WW-uitkering aangevraagd en toegekend gekregen en heeft zich op 14 oktober 2022 opnieuw ziekgemeld. In verband hiermee heeft zij op 14 december 2022 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 14 oktober 2022 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 10 februari 2023 de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) geweigerd.
1.4.
Bij besluit van 28 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de primaire arts en concludeert dat geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling, waarom appellante geschikt is te achten voor de toen geselecteerde functies.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door de (verzekerings)artsen van het Uwv gelet op de verrichte onderzoeksactiviteiten voldoende zorgvuldig geweest. De rechtbank heeft hierbij opgemerkt dat zij zich ervan bewust is dat de (verzekerings)artsen appellante minder goed kennen dan de behandelend sector of haar familieleden, maar dat is ondervangen door de informatie van de behandelend sector welke de (verzekerings)artsen inzichtelijk in de beoordeling hebben betrokken. Daarnaast was de partner van appellante aanwezig bij de spreekuurcontacten met zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep, wat maakt dat ook de partner – indien nodig – aanvullende informatie heeft kunnen geven. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische beperkingen van appellante voldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om hieraan te twijfelen. De door appellante in beroep ingediende brief van 21 oktober 2019 ziet op een periode ruim voor de datum in geding. De door appellante in beroep ingediende brieven van 19 en 20 juni 2023 zaten al in het dossier en waren al bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek door de (verzekerings)artsen van het Uwv niet zorgvuldig is geweest. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de medische stukken voldoende zijn betrokken. Dat de stukken al bekend waren en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn meegenomen bij de beoordeling, betekent nog niet dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen. Verder heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Appellante meent met name dat de wisselwerking tussen haar paniekstoornis en agorafobie miskend is. Volgens appellante dient onder meer een urenbeperking te worden aangenomen wegens de verhoogde recuperatiebehoefte in verband met de hersteltijd na paniekaanvallen. Daarnaast is appellante van mening dat verschillende aanvullende beperkingen dienen te worden aangenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in de rubrieken Persoonlijk- en Sociaal functioneren. Tot slot heeft appellante gemotiveerd waarom de geselecteerde functies volgens haar niet geschikt zijn.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Benoeming deskundige
5. Na de behandeling ter zitting op 9 oktober 2024, heeft de Raad aanleiding gezien een deskundige te benoemen. De door de Raad ingeschakelde deskundige heeft op 9 juli 2025 een rapport uitgebracht. De deskundige heeft geconcludeerd dat er geen medische grond is voor de conclusie dat de afwijkingen in de gezondheidstoestand van appellante op 14 oktober 2022 zijn toegenomen ten opzichte van de eerdere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet WIA per 15 februari 2022. Volgens de deskundige is zij geschikt gebleven voor de bij de WIA-beoordeling geduide functies.
5.1.
Partijen hebben hun zienswijzen op het rapport van de deskundige gegeven. Het Uwv heeft opgemerkt dat de deskundige het eens is met het standpunt van het Uwv en dat hiermee wordt bevestigd dat het bestreden besluit juist is. Appellante is van mening dat de deskundige onvoldoende is ingegaan op de invloed van de paniekstoornis op de agorafobie en omgekeerd. Daarnaast heeft de deskundige volgens appellante onvoldoende beoordeeld hoe appellante in een vreemde omgeving, zonder aanwezigheid van haar partner, functioneert. De deskundige had de partner van appellante weg moeten sturen tijdens het spreekuur. Volgens appellante heeft de deskundige onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij de aanwezigheid van haar partner heeft meegewogen in de beoordeling. Appellante benadrukt verder dat zij zelfs tijdens een niet-stresserende situatie, namelijk een vakantie, in het bijzijn van haar partner een paniekaanval heeft gekregen. Tot slot is appellante van mening dat de deskundige de verslechtering in de medische toestand van appellante als gevolg van het spreekuur moet meewegen. Appellante verzoekt om een aanvullend onderzoek.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
6.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer heeft ziekgemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. [1] Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van Pro de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
6.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de (verzekerings)arts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
Medische beoordeling
6.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor.
6.5.
Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent gemotiveerd. De deskundige heeft appellante gezien op een spreekuur op 30 april 2025 en heeft daarnaast dossieronderzoek verricht. De informatie van de behandelend sector en de rapporten van de (verzekerings)artsen van het Uwv zijn door de deskundige kenbaar bij het onderzoek betrokken. De deskundige heeft overtuigend onderbouwd dat de intensiviteit en omvang van de behandelingen in verband met de psychische klachten van appellante beperkt is gebleven. Na de beëindiging van de behandeling per 18 maart 2022 heeft geen andere behandeling meer plaatsgevonden en ook is de medicatie op de datum in geding ongewijzigd. Op basis hiervan kan volgens de deskundige daarom in ieder geval geen toename van klachten of beperkingen worden onderbouwd. Evenals tijdens de spreekuren met de (verzekerings)artsen van het Uwv was verder sprake van een goed functioneren van appellante in een vreemde omgeving en een ruim voldoende psychisch functioneren. Bovendien heeft appellante bevestigd dat de beschrijvingen van het dagverhaal en de bevindingen bij het onderzoek in de rapporten van de (verzekerings)artsen van het Uwv in grote lijnen correct zijn. Deze beschrijvingen wijzen op een min of meer gelijkblijvend beeld en ook appellante zelf heeft te kennen gegeven de klachten ongewijzigd te achten aangezien deze chronisch zijn. De deskundige heeft in een nader rapport van 8 oktober 2025 daarnaast overtuigend gemotiveerd waarom de argumenten van appellante niet leiden tot een andere conclusie. De deskundige heeft in dit rapport benadrukt dat de klachten van appellante en de gevolgen daarvan op het functioneren bij uitstek onderdeel zijn van het onderzoek en dat de bevindingen van de behandelaars en de arbeidsgeschiedenis van appellante uitgebreid zijn meegewogen. Daarnaast motiveert de deskundige inzichtelijk dat de aanwezigheid van de partner van appellante een keuze was van appellante en dat voldoende aandacht is geweest voor de invloed van de aanwezigheid van de partner. Zo is stilgestaan bij de onrust die appellante kan ervaren als haar partner er niet is, of niet in het zicht is, en hoe zij hiermee omgaat. Verder benadrukt de deskundige dat hoewel appellante stelt dat de klachten na het spreekuur zijn toegenomen, geen nieuwe behandeling is gestart of hulp is gezocht. Bovendien kan een eventuele toename van klachten van meer dan drie jaar na de datum in geding geen grond vormen voor aanvullende beperkingen bij de onderhavige beoordeling. De Raad volgt de conclusies van de deskundige over de medische toestand van appellante per datum in geding.
6.6.
Ook wat betreft de geschiktheid van de geselecteerde functies volgt de Raad de conclusie van de deskundige. In wat appellante heeft aangevoerd worden geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit in medisch opzicht voor appellante niet geschikt zouden zijn.
6.7.
Uit 6.4 tot en met 6.6 volgt dat er geen aanknopingspunten zijn om het bestreden besluit onjuist te achten.

Conclusie en gevolgen

6.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.C. Boot, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei-Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) G.C. Boot

(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.