ECLI:NL:CRVB:2026:256

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
23/2780 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens voortzetting Ziektewetuitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de voortzetting van haar Ziektewetuitkering. Het UWV nam op 26 november 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar en besloot de uitkering per 28 augustus 2021 voort te zetten. Hierop trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

De Raad stelde vast dat het hoger beroep was ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel aan appellante tegemoet was gekomen, zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken, begroot op €3.200,-, en tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Tevens werd het UWV verplicht het betaalde griffierecht van €136,- te vergoeden.

De Raad behandelde de zaak zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak werd gedaan op 5 maart 2026 door F.M. Rijnbeek, in aanwezigheid van griffier M.G.J. van Eck.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, wettelijke rente en griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens voortzetting van de Ziektewetuitkering.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/2780 ZW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 augustus 2023, 22/2484 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Ergec, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 26 november 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen en de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet per 28 augustus 2021 voortgezet.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Appellante heeft tevens verzocht het Uwv te veroordelen in de door haar geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Het Uwv heeft te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot intrekking van het bestreden besluit.
Aldus is aan appellante tegemoetgekomen. Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting). Totaal € 3.200,-. De kosten die appellante in beroep heeft moeten maken, zijn al vergoed.
Het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen word verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [1]
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven;
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.200,-;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.