ECLI:NL:CRVB:2026:258

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
20/4002 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering

Appellant ontving op 16 januari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering van het UWV wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Hij maakte bezwaar omdat hij meende recht te hebben op een IVA-uitkering vanwege duurzame arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank handhaafde dit besluit.

Tijdens het hoger beroep nam het UWV op 15 oktober 2025 een gewijzigde beslissing waarin de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant als duurzaam werd erkend en hem met terugwerkende kracht een IVA-uitkering werd toegekend. Appellant stemde hiermee in en verzocht de Raad uitspraak te doen en het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het UWV met de gewijzigde beslissing volledig aan de bezwaren tegemoet was gekomen. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en het UWV is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

20/4002 WIA
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
20/4002 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 oktober 2020, 19/1960 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 november 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om nader op elkaars standpunten te reageren. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt. Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft vragen aan het Uwv gesteld. Vervolgens heeft het Uwv op 15 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft te kennen gegeven dat hij het eens is met de gewijzigde beslissing op bezwaar. Hij heeft de Raad verzocht uitspraak te doen en het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
In antwoord op een vraag van de Raad heeft appellant uitdrukkelijk te kennen gegeven het hoger beroep niet in te trekken.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 12 december 2018 heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 16 januari 2019 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Het Uwv heeft appellant daarbij aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt.
1.2.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 december 2018, omdat hij van mening is dat zijn volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is en hij daarom recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. Bij besluit van 27 juni 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
3.1.
Gedurende de procedure in hoger beroep heeft het Uwv op 15 oktober 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij de volledig arbeidsongeschiktheid van appellant ook als duurzaam is aangemerkt en aan hem met ingang van 16 januari 2019 een IVA-uitkering is toegekend.
3.2.
Appellant heeft te kennen gegeven dat hij het eens is met de gewijzigde beslissing op bezwaar. Hij heeft de Raad verzocht uitspraak te doen en het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het oordeel van de Raad

4. Met het besluit van 15 oktober 2025 is het Uwv geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. Dit betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat het nadere besluit niet in dit geding wordt betrokken. Appellant heeft geen belang meer bij een oordeel in hoger beroep. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
4.1.
Omdat het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
4.2.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) in beroep en € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de reactie van de vraagstelling van de Raad, met een waarde van € 934,- per punt) in hoger beroep, in totaal € 4.203,- voor verleende rechtsbijstand. Ook de kosten die appellant heeft moeten maken voor de door hem ingediende rapporten van medisch adviesbureau Triage, tot een bedrag van in totaal € 3.220,83 (inclusief omzetbelasting) komen voor vergoeding in aanmerking. Het totale bedrag aan proceskosten dat het Uwv moet vergoeden bedraagt € 7.423,83.
5. Ook moet het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 7.423,83;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026
.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M.G.J. van Eck