ECLI:NL:CRVB:2026:259
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens gewijzigde beslissing UWV
Appellante, een B.V., had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een WIA-zaak. Het UWV diende een verweerschrift in en nam op 14 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten.
De Raad stelde vast dat het UWV reeds door de rechtbank was veroordeeld tot vergoeding van de kosten van beroep en dat het UWV in de gewijzigde beslissing ook de kosten in de bezwaarfase had toegekend. De Raad hoefde daarom alleen nog te oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, begroot op € 934,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 579,-. De zaak werd zonder zitting behandeld omdat partijen geen zitting wensten.
De uitspraak werd gedaan door T. Dompeling namens de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2026.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- en het griffierecht van € 579,- na intrekking van het hoger beroep.