ECLI:NL:CRVB:2026:261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens betrokkenheid bij hennepkwekerij en schending inlichtingenplicht
Appellant ontvangt sinds december 2021 bijstand. Na een politieonderzoek op 18 januari 2022 werd een hennepkwekerij aangetroffen in zijn woning, waarbij appellant als enige aanwezig was. De stiefzoon meldde dat appellant een maand eerder een wietplantage op zolder had. Het dagelijks bestuur trok de bijstand per 13 december 2021 in wegens schending van de inlichtingenplicht en betrokkenheid bij hennepteelt.
Appellant diende meerdere aanvragen om bijstand in, waarvan enkele werden afgewezen of buiten behandeling gesteld vanwege het niet aanleveren van gevraagde stukken en onduidelijkheden over zijn financiële situatie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking en afwijzingen ongegrond, behalve voor een bezwaarprocedure die deels werd vernietigd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere standpunten, waaronder dat hij niet betrokken was bij hennepteelt en dat hem onvoldoende gelegenheid was geboden om inlichtingen te verschaffen. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking van bijstand per 13 december 2021 en de afwijzing van latere aanvragen worden bevestigd; het hoger beroep wordt afgewezen.