ECLI:NL:CRVB:2026:27
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Het ingediende beroepschrift voldeed hier niet aan omdat het geen gronden bevatte.
De Centrale Raad van Beroep heeft appellante bij brief van 24 september 2025 in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan. Vervolgens is bij aangetekende brief van 27 oktober 2025 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-inhoudelijke behandeling. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan.
Er zijn geen redenen gebleken die een verontschuldiging vormen voor het verzuim. Daarom is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 13 januari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen van dit verzuim.