ECLI:NL:CRVB:2026:273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag zonder nieuwe feiten
Appellante heeft in 2013 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering die door het UWV in 2014 werd afgewezen omdat zij na haar achttiende verjaardag langdurig fulltime heeft gewerkt en ten minste 75% van het minimumloon verdiende. Na een herhaalde aanvraag in 2020 handhaafde het UWV dit besluit, waarop appellante bezwaar maakte. De rechtbank Limburg vernietigde het bezwaarbesluit in 2023 wegens een zorgvuldigheidsgebrek en gaf het UWV opdracht een nieuwe beslissing te nemen.
Het UWV handhaafde opnieuw het besluit, gesteund op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, ondanks het ontbreken van enkele oude WAO-rapporten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat er nieuwe feiten (nova) waren, waaronder de vaststelling van zwakbegaafdheid in 2011, en dat haar medische situatie was verslechterd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die rechtvaardigen om terug te komen op het eerdere besluit. Het onderzoek was zorgvuldig en professioneel, en het ontbreken van oude stukken is het risico van appellante. Het verzoek om een deskundige te benoemen wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.