ECLI:NL:CRVB:2026:275

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/2172 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland. De gemachtigde van appellant is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €143,- binnen een gestelde termijn. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet tijdig voldaan.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen zonder inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

De uitspraak is gedaan door rechter J.D. Streefkerk, in aanwezigheid van griffier J.M. Labage, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2172 ZW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
11 september 2025, 24/965 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Görsültürk hoger beroep ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 28 oktober 2025 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 28 november 2025 is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk in tegenwoordigheid van J.M. Labage als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) J.M. Labage
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.