ECLI:NL:CRVB:2026:278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De zaak werd door de meervoudige kamer verwezen naar een enkelvoudige kamer. Volgens artikel 8:41 Awb Pro is het betalen van griffierecht verplicht bij het indienen van een beroepschrift, en deze verplichting geldt ook voor hoger beroep op grond van artikel 8:108 Awb Pro.
Appellant is bij brief van 18 september 2025 en bij aangetekende brief van 20 oktober 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €143,- en de uiterste betalingstermijnen. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald.
De Raad oordeelt dat op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden aangenomen dat appellant niet in verzuim is geweest. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wordt het niet inhoudelijk behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.