Uitspraak
28 juli 2025, 23/8281
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een sociale zekerheidszaak. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat een vereiste is op grond van artikel 6:5 Awb Pro in samenhang met artikel 6:24 Awb Pro.
De Centrale Raad van Beroep heeft appellant twee maal schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken de beroepsgronden alsnog in te dienen. Beide termijnen zijn ongebruikt voorbijgegaan zonder dat appellant een verontschuldiging voor dit verzuim heeft aangevoerd.
Gezien het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen van dit verzuim, verklaart de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen van dit verzuim.