ECLI:NL:CRVB:2026:280

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
21/3562 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en toewijzing rente en proceskosten

Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV appellante tegemoet door het bezwaar gegrond te verklaren en een nieuwe beslissing te nemen die toekenning van een IVA-uitkering omvatte.

Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van de proceskosten.

De Raad oordeelde dat het UWV op grond van de intrekking en tegemoetkoming in het bezwaar veroordeeld kon worden tot betaling van de wettelijke rente en de proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken in zowel de beroeps- als hoger beroepsfase. Tevens werd het griffierecht vergoed.

De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2026, waarbij het hoger beroep werd ingetrokken en het UWV werd veroordeeld tot betaling van in totaal €3.736 aan proceskosten en €182 aan griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ingetrokken en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
21/3562 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2021, 20/5576 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft daarnaast verzocht het Uwv te veroordelen in de door haar geleden schade, bestaande uit wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 22 februari 2024 een tussenuitspraak gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 1 augustus 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft een zienswijze ingediend.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.2.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
1.3.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv heeft besloten tot gegrondverklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit van 4 november 2019 en toekenning van een IVA-uitkering. Aldus is aan appellante tegemoetgekomen.
Vergoeding wettelijke rente
2. Het verzoek het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen word verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [1]
Proceskosten
3. Het Uwv wordt, in aanvulling op de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling in verband met het niet tijdig beslissen op bezwaar, veroordeeld in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.401,- in beroep (1 punt voor de aanwezigheid op de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het besluit op bezwaar van 5 november 2020 met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het besluit op bezwaar van 1 augustus 2024). Totaal € 3.736,-. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor aangegeven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.