ECLI:NL:CRVB:2026:295

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
25/671 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 50,41% door UWV

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV, die per 14 februari 2022 en 1 juli 2023 op 50,41% is vastgesteld. Hij stelde dat zijn medische beperkingen en psychische klachten onvoldoende zijn meegewogen en dat het medisch onderzoek niet representatief was.

De rechtbank Rotterdam heeft de besluiten van het UWV in stand gelaten, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De Raad heeft het hoger beroep van appellant behandeld en geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek adequaat en zorgvuldig is uitgevoerd, waarbij alle klachten, inclusief psychische en lichamelijke, zijn betrokken.

De Raad concludeert dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 50,41%.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/671 WIA, 25/672 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2025, 24/6762 en 24/6765 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 14 februari 2022 en per 1 juli 2023 heeft vastgesteld op 50,41%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Amghar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd en een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Voor appellant is verschenen mr. Amghar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als lasser voor gemiddeld 40,5 uur per week. Op 17 februari 2020 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 april 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant passende functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 47,60%. Naar aanleiding van nieuwe door appellant ingebrachte medische informatie heeft de arts van het Uwv nader gerapporteerd en geconcludeerd dat geen aanleiding is om de belastbaarheid aan te passen.
1.2.
Bij besluit van 14 juni 2023 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 14 februari 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Bij besluit van 19 juni 2023 heeft het Uwv deze uitkering per 1 juli 2023 omgezet naar een WGAvervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.3.
De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 14 juni 2023 en 19 juni 2023 heeft het Uwv bij besluiten van 7 juni 2024 (bestreden besluiten) gegrond verklaard, in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid is bijgesteld naar 50,41%. Aan deze besluiten liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt van de primaire verzekeringsarts en de FML van 21 april 2023 onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee geselecteerde functies laten vallen en op grond van de resterende functies per 14 februari 2022 en 1 juli 2023 het arbeidsongeschiktheidspercentage op 50,41% vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee deze besluiten in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is en dat geen aanleiding bestaat om het medisch oordeel, dat aan de bestreden besluiten ten grondslag ligt, voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend toegelicht dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Ook de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarom voor appellant geen urenbeperking is aangenomen, heeft de rechtbank gevolgd. Bij de beoordeling van de elleboog- en knieklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de huisarts betrokken en afdoende toegelicht dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van zwaardere beperkingen. Dat geldt ook voor de hartkloppingen, de rugklachten en de gestelde psychische klachten, omdat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrisch ziektebeeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De geselecteerde functies zijn geschikt en het Uwv heeft appellant per 14 februari 2022 en 1 juli 2023 terecht 50,41% arbeidsongeschikt geacht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft aangevoerd dat zijn belastbaarheid is onderschat. Het medisch spreekuur heeft pas een jaar na het einde van de wachttijd, 14 februari 2022, plaatsgevonden, zodat dit spreekuur geen representatief beeld geeft van de medische situatie van appellant op die datum. In de periode van 19 september 2021 tot 11 april 2022 stond appellant voor zijn psychische klachten onder behandeling bij de Polikliniek Medische Psychologie van het Franciscus Gasthuis & Vlietland. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant een brief van de psychologen A. Korpel en J.F. Flach van 11 april 2024 overgelegd. Over de lichamelijke klachten heeft appellant gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de klachten aan zijn armen, rugklachten, knieklachten, buikklachten en jichtaanvallen. Volgens appellant had een urenbeperking moeten worden aangenomen in verband met zijn schildklierproblematiek, hypertensie, vermoeidheidsklachten en een slechte nachtrust.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de mate van arbeidsongeschiktheid op 14 februari 2022 en 1 juli 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Alle de door appellant naar voren gebrachte klachten, waaronder de buikklachten, rugklachten, knieklachten en tennisellebogen, waren bij de (verzekerings)artsen (bezwaar en beroep) bekend en met deze klachten is rekening gehouden in de FML van 21 april 2023. Niet gebleken is dat de belastbaarheid van appellant is onderschat. Appellant heeft zijn stelling dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld niet onderbouwd met nieuwe medische informatie.
5.3.
Het feit dat het spreekuur van de primaire arts een jaar na het einde van de wachttijd heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het rapport van deze arts blijkt voldoende duidelijk dat het onderzoek, waarbij de medische informatie uit de behandelend sector en de anamnese is betrokken, en de medische overwegingen mede waren toegespitst op de datum van 14 februari 2022. Verder blijkt uit de motivering van zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende duidelijk dat de belastbaarheid op beide data in geding, te weten 14 februari 2022 en 1 juli 2023, hetzelfde was. Appellant heeft erop gewezen dat tijdens het lichamelijk onderzoek van de primaire arts drukpijn is geconstateerd aan zijn polsen, maar zonder onderbouwing is dit enkele gegeven onvoldoende om uit te gaan van zwaardere beperkingen.
5.4.
Appellant wordt niet in gevolgd in zijn standpunt dat zijn psychische belastbaarheid is onderschat. Bij zijn eigen onderzoek heeft de primaire arts geen afwijkingen dan wel aanwijzingen voor beperkingen in concentratie of een verminderde conflicthantering gevonden. Ook in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dergelijke beperkingen niet geconstateerd. Bij appellant is weliswaar sprake van spanningsklachten maar deze klachten zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een reactie op de fysieke en pijnklachten in combinatie met psychosociale problemen. De Raad ziet geen aanleiding om aan de juistheid van dit standpunt te twijfelen. Weliswaar kan uit de door appellant overgelegde informatie van de psychologen A. Korpel en J.F. Flach van 11 april 2024 worden opgemaakt dat appellant op 14 februari 2022 nog onder behandeling was, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 november 2025 hierover voldoende gemotiveerd opgemerkt dat bij appellant sprake is van reactieve stemmingsklachten, dat het feit dat van een verdere behandeling is afgezien niet duidt op ernstige psychische problematiek en dat psychosociale problemen niet als ziekte of gebrek kunnen worden aangemerkt. Het standpunt van de verzekeringsartsbezwaar en beroep dat voor het aannemen van aanvullende beperkingen geen aanleiding bestaat, kan worden gevolgd.
5.5.
In zijn rapport van 4 juni 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat voor een urenbeperking geen reden bestaat. Er is geen sprake van een ziektebeeld met een verhoogde recuperatiebehoefte en ook de overige in de standaard Duurbelasting in Arbeid opgenomen aspecten ‘verminderde beschikbaarheid’ en ‘preventieve gronden’ doen zich niet voor. Wat appellant in dit verband heeft aangevoerd is niet onderbouwd en doet niet twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
5.6.
Omdat er geen twijfel is over de juistheid van de medische beoordeling, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
5.7.
Wat appellant heeft aangevoerd, geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 50,41% op de data in geding in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) J. Bonnema