ECLI:NL:CRVB:2026:297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig procesoperator, kreeg sinds 2001 een WAO-uitkering wegens ernstige brandwonden en later bijkomende klachten na een motorongeluk. Het UWV verlaagde in 2023 zijn uitkering na een herbeoordeling op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat appellant geschikt is voor bepaalde functies en het arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld op circa 55%.
Appellant maakte bezwaar tegen deze verlaging, stellende dat zijn beperkingen groter zijn dan aangenomen en dat schadelijke blootstelling aan stoffen onvoldoende is meegewogen. Zowel de verzekeringsarts bezwaar en beroep als de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bevestigden het eerdere oordeel. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde vast dat het onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en bracht nieuwe stukken in, waaronder een usb-stick en oude werkkleding, maar zonder nadere toelichting en te laat ingediend. De Raad liet deze stukken buiten beschouwing en oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om het eerdere oordeel te betwisten.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WAO-uitkering heeft verlaagd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering van appellant wordt bevestigd en blijft ongewijzigd.