ECLI:NL:CRVB:2026:3

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
24/2743 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding ongegrond verklaard

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig was ingediend. Appellant stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerde aan dat hij de uitspraak pas later had kunnen lezen en begrijpen, en dat hij daarna juridisch advies heeft ingewonnen om het beroepschrift op te stellen.

De Centrale Raad van Beroep heeft het verzet behandeld en overwogen dat de uitspraak naar het juiste adres was verzonden, maar dat appellant niet voldoende heeft toegelicht waarom hij de termijn heeft overschreden. Ook al was het wenselijk geweest dat de brief waarin om een verklaring voor de termijnoverschrijding werd gevraagd eerder was verzonden, dit leidt niet tot het oordeel dat appellant niet in verzuim was.

De Raad concludeert dat er geen wettelijke termijn geldt voor het versturen van dergelijke brieven en dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om het verzet gegrond te verklaren. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens termijnoverschrijding wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2024, ROT 24/4552 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 12 januari 2026

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 3 juni 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
Appellant heeft verzet ingediend. In zijn verzetschrift heeft appellant kort samengevat aangevoerd dat hij de aangevallen uitspraak “pas later daadwerkelijk heeft kunnen lezen en begrijpen” en – naar de Raad begrijpt – vervolgens juridisch advies heeft ingewonnen om het hogerberoepschrift op te kunnen stellen. Verder stelt appellant in zijn verzetschrift dat hem pas na ruim twee maanden naar de reden van termijnoverschrijding is gevraagd en dat dat te laat is.
De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 17 november 2025. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de tijdigheid van het beroepschrift
Uit wat appellant aanvoert maakt de Raad op dat de aangevallen uitspraak naar het juiste adres is verzonden maar dat hij om niet toegelichte redenen de uitspraak pas later heeft kunnen lezen en daarna actie heeft ondernomen. Zonder nadere uitleg, die ter zitting gegeven had kunnen worden, kan wat appellant heeft aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.
Ten aanzien van de brief waarin appellant is gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding
Het zou wenselijk zijn geweest dat deze brief eerder aan appellant was toegezonden. Dat dat niet is gebeurd, betekent echter niet dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. De Raad voegt daar nog aan toe dat er, anders dan appellant meent, geen wettelijke termijn geldt voor het versturen van zulke brieven.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) H. de Brabander