ECLI:NL:CRVB:2026:3

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
24/2743 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van hoger beroep inzake sociale zekerheidswetgeving

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 12 januari 2026 uitspraak gedaan op het verzet van appellant tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn hoger beroep. Het hoger beroep was eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig was ingediend. Appellant stelde in zijn verzetschrift dat hij de aangevallen uitspraak pas later heeft kunnen lezen en begrijpen, en dat hij juridisch advies heeft ingewonnen om het hogerberoepschrift op te stellen. Hij voegde eraan toe dat hij pas na twee maanden naar de reden van de termijnoverschrijding is gevraagd, wat hij als te laat beschouwde.

De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 17 november 2025, waarbij partijen niet verschenen. De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak naar het juiste adres was verzonden, maar dat appellant om onduidelijke redenen de uitspraak pas later heeft kunnen lezen. Zonder verdere uitleg kon niet worden geconcludeerd dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim was. De Raad merkte op dat het wenselijk was geweest dat de brief waarin appellant naar de reden van de termijnoverschrijding werd gevraagd, eerder was verzonden, maar dit betekende niet dat appellant niet in verzuim was.

Uiteindelijk verklaarde de Raad het verzet ongegrond en gaf aan dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2024, ROT 24/4552 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 12 januari 2026

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 3 juni 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
Appellant heeft verzet ingediend. In zijn verzetschrift heeft appellant kort samengevat aangevoerd dat hij de aangevallen uitspraak “pas later daadwerkelijk heeft kunnen lezen en begrijpen” en – naar de Raad begrijpt – vervolgens juridisch advies heeft ingewonnen om het hogerberoepschrift op te kunnen stellen. Verder stelt appellant in zijn verzetschrift dat hem pas na ruim twee maanden naar de reden van termijnoverschrijding is gevraagd en dat dat te laat is.
De Raad heeft het verzet behandeld op de zitting van 17 november 2025. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de tijdigheid van het beroepschrift
Uit wat appellant aanvoert maakt de Raad op dat de aangevallen uitspraak naar het juiste adres is verzonden maar dat hij om niet toegelichte redenen de uitspraak pas later heeft kunnen lezen en daarna actie heeft ondernomen. Zonder nadere uitleg, die ter zitting gegeven had kunnen worden, kan wat appellant heeft aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.
Ten aanzien van de brief waarin appellant is gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding
Het zou wenselijk zijn geweest dat deze brief eerder aan appellant was toegezonden. Dat dat niet is gebeurd, betekent echter niet dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. De Raad voegt daar nog aan toe dat er, anders dan appellant meent, geen wettelijke termijn geldt voor het versturen van zulke brieven.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) H. de Brabander