ECLI:NL:CRVB:2026:316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar na bezwaar van zijn ex-werkgever werd een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek concludeerde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waarop het UWV besloot de uitkering per 14 februari 2024 te beëindigen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het besluit af. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat sprake was van strijd met het verbod van reformatio in peius en dat de ex-werkgever een tegenstrijdig standpunt innam. Ook stelde hij dat hij onterecht geen proceskostenvergoeding kreeg.
De Raad oordeelt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld, dat het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende is onderbouwd en dat het verbod van reformatio in peius niet is geschonden omdat het bezwaar door de ex-werkgever is ingediend. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 14 februari 2024 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.