ECLI:NL:CRVB:2026:319

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
23/3242 WIA-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 8:51d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij weigering WIA-uitkering wegens onderschatting medische beperkingen

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd, die door het UWV is geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant betwist dit en stelt dat zijn medische beperkingen, met name de vervoersproblematiek, onvoldoende zijn erkend. De rechtbank heeft het besluit van het UWV bevestigd.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep psychiater H.N. Sno en verzekeringsarts M. Vervoort als onafhankelijke deskundigen benoemd. Psychiater Sno concludeerde dat het UWV de ernst van de psychische klachten en vervoersbeperkingen heeft onderschat, met name dat appellant alleen met vertrouwde begeleiders per auto kan reizen. Verzekeringsarts Vervoort onderschreef slechts een deel van deze beperkingen.

De Raad volgt het rapport van psychiater Sno en oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en niet voldoet aan de vereisten van de Algemene wet bestuursrecht. Het UWV wordt opgedragen een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst op te stellen en zo nodig een nieuwe arbeidskundige beoordeling te verrichten. De zaak wordt daarmee niet definitief beslecht en verdere procedure volgt.

Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt wegens motiveringsgebrek vernietigd en het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3242 WIA
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2023, 22/5779 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellant per 6 april 2022 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad heeft psychiater H.N. Sno en verzekeringsarts M. Vervoort als deskundige benoemd. Deskundige Sno heeft geconcludeerd dat het Uwv de medische situatie van appellant heeft onderschat en dat appellant niet anders dan met de auto naar werk kan worden gebracht door of onder begeleiding van familie of een medisch deskundige die hij vertrouwt. Het Uwv heeft dit niet overgenomen en slechts een deel van de door Sno voorgestelde beperkingen vastgelegd in een nieuwe FML. Deskundige Vervoort kan zich vinden in deze FML. De Raad komt tot de conclusie dat het rapport van deskundige Sno meer overtuigt dan het rapport van deskundige Vervoort en dat het bestreden besluit niet berust op een draagkrachtige motivering. De Raad draagt het Uwv op dit gebrek te herstellen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 juni 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zoon en mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
Het onderzoek is na de zitting heropend. De Raad heeft psychiater dr. H.N. Sno benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 8 oktober 2024 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht.
Na een vraag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de deskundige bij brief van 23 december 2024 aanvullende gerapporteerd.
Nadat partijen hun zienswijzen naar voren hebben gebracht, heeft de Raad verzekeringsarts drs. M. Vervoort als deskundige benoemd. Zij heeft op 10 oktober 2025 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben hun zienswijzen ingediend.
De Raad heeft de zaak op 4 februari 2026 voor de tweede keer op een zitting behandeld. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zoon en mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als operator voor 40 uur per week. Op 8 april 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 oktober 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 29 maart 2022 geweigerd appellant met ingang van 6 april 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 18 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest en bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij op de datum in geding nog onvoldoende was hersteld en niet in staat was loonvormende arbeid te verrichten. De artsen van het Uwv hebben zich een te positief beeld van de arbeidsmogelijkheden van appellant gevormd. Dit volgt ook uit de informatie van de psychiater van appellant. Onder meer is onvoldoende aandacht besteed aan de vervoersproblematiek. Appellant is aangewezen op vervoer door mensen die hij vertrouwt, zoals familie. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat indien hij niet volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, in ieder geval op energetische en preventieve gronden een urenbeperking had moeten worden aangenomen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Onafhankelijke deskundigen
3.3.
Door het verschil in standpunten van de verzekeringsartsen van het Uwv enerzijds en de standpunten van psychiater B. Marttin en bedrijfsarts in opleiding E.Y. Osinga anderzijds, is er bij de Raad twijfel ontstaan over de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen als gevolg van de psychische problematiek van appellant. Gelet op het verschil van inzicht over de aard en ernst van de psychische problematiek heeft de Raad daarom dr. Sno, psychiater, als deskundige benoemd.
3.4.
De deskundige heeft in zijn rapport van 8 oktober 2024 geconcludeerd dat bij appellant op de datum in geding sprake was van persisterende (en soms remitterende) paniekaanvallen en agorafobische klachten. De aanvallen komen onverwacht en worden ook getriggerd door drukte en stress. Appellant is bang dat niemand hem zal helpen als hij een aanval heeft. Daarom moet er altijd iemand in de buurt zijn die hij vertrouwt. Dit zijn met name zijn echtgenote, kinderen en zijn oudste broer maar ook de psycholoog, psychiater of de huisarts. De deskundige heeft gemotiveerd toegelicht dat de verzekeringsartsen van het Uwv de aard en ernst van de agorafobische component hebben onderschat. De verzekeringsartsen hebben onvoldoende inzicht gehad in de implicaties van het irreële karakter van de angst en er is sprake van een simplificatie van de principes van exposure therapie. De deskundige heeft uiteengezet dat de angst irreëel is en dit irreële impliceert dat de angst niet vatbaar is voor rede of logica. De oplossing dat “iemand anders hem met de auto brengt naar werk” is logisch, maar praktisch niet haalbaar, omdat voor betrokkene samenhangend met het irreële karakter van de angst alleen familie of eventueel medisch deskundigen (huisarts, SPV e.a.) die hij vertrouwt in aanmerking komen om hem te begeleiden.
3.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nadere vragen gesteld aan de deskundige, die deze op 23 december 2024 heeft beantwoord. In zijn rapport van 16 januari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat een deel van de door de deskundige benoemde beperkingen moeten worden overgenomen in de FML maar een aantal van de voorgestelde beperkingen ook niet. Vanwege dit verschil van inzicht heeft de Raad verzekeringsarts drs. Vervoort als deskundige benoemd.
3.6.
Deskundige Vervoort heeft in haar rapport van 10 oktober 2025 geconcludeerd dat zij de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan volgen in de belastbaarheid zoals deze is vastgelegd in de FML van 16 januari 2025. Zij heeft toegelicht dat rekening houden met de ernst van de klachten van appellant nodig is, maar dit betekent volgens haar niet dat elke vorm van reizen onmogelijk moet worden geacht. Dit ondersteunt het standpunt dat geen verdergaande beperking op vervoer aangewezen is dan al door de verzekeringsarts werd aangenomen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier gedeeltelijk voor.
4.3.
Het deskundigenrapport van psychiater Sno, gelezen in samenhang met de aanvulling daarop, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft dossierstudie verricht, bij appellant een anamnese afgenomen, een oriënterend psychodiagnostisch onderzoek verricht en alle in het dossier aanwezige medische informatie in zijn beoordeling betrokken. Ook deskundige verzekeringsarts Vervoort heeft een zorgvuldig onderzoek verricht. Ook zij heeft dossierstudie verricht, een anamnese bij appellant afgenomen en alle in het dossier aanwezige informatie in haar beoordeling betrokken. De Raad komt echter tot de conclusie dat het rapport van deskundige psychiater Sno meer overtuigt. Deskundige Sno heeft in zijn rapport van 8 oktober 2024 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd hoe hij vanuit zijn expertise als psychiater tot zijn conclusies is gekomen. Hetzelfde geldt voor zijn nader rapport van 23 december 2024, waarin hij uitvoerig is ingegaan op de vragen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deskundige Sno heeft verder gemotiveerd uiteengezet dat appellant onder meer bang is dat niemand hem zal helpen als hij een aanval heeft, dat de angst van appellant irreëel is en dat dit irreële impliceert dat de angst niet vatbaar is voor rede of logica. De oplossing dat “iemand anders hem met de auto brengt naar werk” is logisch maar praktisch niet haalbaar omdat voor appellant samenhangend met het irreële karakter van de angst alleen familie of eventueel medisch deskundigen (huisarts, SPV, e.a.) die hij vertrouwt in aanmerking komen om hem te begeleiden. De Raad heeft geen aanleiding om aan de conclusies van psychiater Sno te twijfelen. Wat deskundige Vervoort en de verzekeringsartsen van het Uwv tegenover de bevindingen van psychiater Sno hebben gesteld, overtuigt niet. Dat het medisch niet noodzakelijk zou zijn dat uitsluitend vertrouwde personen begeleiding zouden mogen bieden, kan gelet op bovenstaande motivering van deskundige Sno geen stand houden. Ook het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met taxivervoer iemand in de buurt zal zijn om hem te helpen, mocht appellant een aanval krijgen, kan gelet daarop niet worden gevolgd.

Conclusie en gevolgen

5. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek en genomen is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe dient een verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML op te stellen die in overeenstemming is met de conclusies van deskundige psychiater Sno. Zo zal de verzekeringsarts bezwaar en beroep – in ieder geval – moeten vaststellen dat appellant slechts in staat is te reizen middels een auto onder begeleiding van familie of een medisch deskundige die hij vertrouwt. Vervolgens zal het Uwv moeten bezien of een nieuwe arbeidskundige beoordeling kan en moet worden uitgevoerd. Het Uwv zal hierna moeten beoordelen of het bestreden besluit, met een nadere motivering, kan worden gehandhaafd of een nieuwe beslissing op bezwaar moet worden genomen.
6. Omdat met deze uitspraak nog geen einde aan het geding is gekomen, wordt nog geen oordeel gegeven over de proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het hiervoor vermelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.G.J. van Eck