ECLI:NL:CRVB:2026:320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit boven 65% na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, werkzaam als taxichauffeur, meldde zich ziek vanwege een longabces en chronische hoofdpijnklachten. Het UWV beëindigde zijn ZW-uitkering per 30 juni 2018 omdat hij meer dan 65% van zijn maatmanloon kon verdienen volgens een arbeidsdeskundige beoordeling en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 januari 2019.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn beperkingen ernstiger waren, mede door schade aan wervels en toegenomen hoofdpijn. De rechtbank vernietigde het eerste besluit vanwege procedurele fouten, waarna het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit tweede besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad benoemde een neuroloog en een verzekeringsarts als deskundigen. De neuroloog stelde meer beperkingen vast dan in de FML, met name op het gebied van aandacht en ziekteverzuim, maar kon geen harde conclusies trekken over de duurbelastbaarheid. De verzekeringsarts onderschreef de FML en vond geen medische grond voor verdere beperkingen of excessief ziekteverzuim. De Raad volgde het oordeel van de verzekeringsarts en concludeerde dat de geselecteerde functies passend zijn.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak bevestigd en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De ZW-uitkering is terecht beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmanloon kan verdienen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering van appellant per 30 juni 2018 heeft beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmanloon kan verdienen.