ECLI:NL:CRVB:2026:321

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
25/760 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende bewijs duurzaam arbeidsvermogenverlies

Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen vanaf zijn achttiende verjaardag. Het UWV wees de aanvraag af omdat eerder was vastgesteld dat appellant over arbeidsvermogen beschikte en er onvoldoende bewijs was dat hij binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag duurzaam arbeidsongeschikt was geworden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege een laattijdige aanvraag, waarbij de bewijslast bij appellant lag. De verzekeringsarts concludeerde dat het verlies van arbeidsvermogen waarschijnlijk pas na de relevante periode plaatsvond, namelijk tussen maart en oktober 2022. De Raad onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de medische gegevens uit de periode 2010-2015 onvoldoende zijn om duurzaam arbeidsvermogenverlies vast te stellen.

Appellant voerde aan dat hij sinds zijn jeugd beperkingen had, maar dit kon niet worden bewezen door het ontbreken van relevante medische informatie. De Raad bevestigde dat de laattijdigheid van de aanvraag en het ontbreken van bewijs voor de relevante periode leiden tot het afwijzen van de Wajong-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de uitkering bleef in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs van duurzaam arbeidsvermogenverlies in de relevante periode.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/760 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2025, 24/6254 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellant vindt dat hij op [geboortedag] 1992 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) en in de periode van vijf jaar daarna duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte en om die reden als jonggehandicapte had moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Süzen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G. Arslan, kantoorgenoot van mr. Süzen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedag] 1992, heeft met een door het Uwv op 20 december 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij de aanvraag is informatie gevoegd van de huisarts (medicatieoverzicht) en van een rechterlijke beschikking van 18 oktober 2022 over een zorgmachtiging, waarin is vermeld dat appellant lijdt aan een psychotische stoornis en dat sprake is van zwakbegaafdheid. Het Uwv heeft afgezien van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, omdat eerder bij besluit van 26 februari 2019 aan appellant een zogeheten indicatie banenafspraak is toegekend, waaruit volgt dat hij over arbeidsvermogen beschikt. Om deze reden heeft het Uwv met het besluit van 26 januari 2023 de aanvraag om een Wajong-uitkering afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 13 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige ten grondslag. Daarbij is geconcludeerd dat er geen concrete gegevens aanwezig zijn waaruit blijkt dat appellant zijn arbeidsvermogen is kwijtgeraakt in de periode van [geboortedag] 2010 (toen appellant 18 jaar werd) tot [geboortedag] 2015 (toen appellant 23 jaar werd).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft voorop gesteld dat sprake is van een zogeheten laattijdige aanvraag. Daardoor ligt de bewijslast en dus ook het bewijsrisico bij de aanvrager, omdat een medisch beeld met het verstrijken van de jaren steeds moeilijker is vast te stellen. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts inzichtelijk gemotiveerd dat dat bij gebrek aan informatie over de periode van [geboortedag] 2010 tot [geboortedag] 2015 niet goed is te beoordelen of en op welk moment appellant zijn arbeidsvermogen voor het laatst heeft verloren. De verzekeringsarts heeft voorts afdoende gemotiveerd dat dit hoogstwaarschijnlijk is gebeurd tussen maart 2022 en oktober 2022, omdat appellant na de psychiatrische diagnose in 2018 enkele jaren stabiel was tot hij zijn medicatie ging weigeren vanaf maart 2022. Dit is ruim buiten de termijn van vijf jaar na de achttiende verjaardag van appellant. Ook al zou uit de beschikbare stukken wel kunnen worden afgeleid dat appellant tussen [geboortedag] 2010 en [geboortedag] 2015 beperkingen had, dan nog is daarmee niet gegeven dat hij daardoor ook duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. Het ondersteuningsverslag van de gemeente Rotterdam vanaf 2015 en de afgegeven indicatie banenafspraak in 2019 zijn daarvoor een contra-indicatie. De door appellant overgelegde brief van zijn behandelend psychiater van 13 februari 2023 ziet niet op de periode die in geding is en kan om die reden niet tot een ander oordeel leiden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat hij lijdt aan een psychische stoornis en zwakbegaafd is, waarbij de zwakbegaafdheid is ontstaan vanaf de geboorte en dat zijn medische situatie de duurzaamheid van zijn arbeidsongeschiktheid onderstreept.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering appellant een Wajong-uitkering toe te kennen terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als hij op zijn achttiende verjaardag of, kort gezegd tijdens studie, duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.
5.2.
Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene die op zijn achttiende verjaardag of tijdens studie beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, alsnog jonggehandicapte, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dat moet dan wel voortkomen uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen ondervond op zijn achttiende verjaardag of tijdens studie.
5.3.
Bij een laattijdige aanvraag als hier aan de orde dient naar vaste rechtspraak naast een beoordeling aan de hand van de criteria van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong beoordeeld te worden of appellant op grond van artikel 1a:1, tweede lid, alsnog als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en in aanmerking komt voor een Wajonguitkering, omdat hij (in dit geval) op enig moment binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag alsnog jonggehandicapte is geworden.
5.4.
In geschil is of het Uwv terecht heeft aangenomen dat niet objectief kan worden vastgesteld dat bij appellant sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen in de voor hem geldende Wajong-relevante periode van [geboortedag] 2010 tot [geboortedag] 2015.
5.5.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit over de geweigerde Wajong-uitkering. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 14 oktober 2024 is ingegaan op de beroepsgronden van appellant en overtuigend heeft gemotiveerd dat pas in 2018 melding is gemaakt van een psychose bij appellant, zodat vanaf 2018 kan worden gesteld dat de zeer waarschijnlijke diagnose van schizofrenie aan de orde was. Deze diagnose stamt van ver na de hier in geding zijnde periode. Appellant heeft gesteld dat hij sinds zijn vroege jeugd en in ieder geval vanaf zijn achttiende levensjaar met beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren kampt, maar het probleem is nu juist dat niet duidelijk kan worden vastgesteld wat er toen aan de hand was, welke medische problematiek speelde en welke medische beperkingen appellant daarvan ondervond. Of appellant op zijn achttiende jaar of gedurende de vijf jaar erna duurzaam geen arbeidsvermogen had door een medische aandoening is niet vast te stellen vanwege het ontbreken van relevante medische informatie. Het nadeel dat door het tijdsverloop niet meer informatie over de medische situatie van appellant uit de periode in geding beschikbaar is, komt vanwege de laattijdigheid van de aanvraag naar vaste rechtspraak van de Raad voor rekening en risico van appellant.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in zijn standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat appellant in de periode van [geboortedag] 2010 tot [geboortedag] 2015 duurzaam geen arbeidsvermogen had en dat hij daarom niet kan worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van de Wajong.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om appellant een Wajong-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz