ECLI:NL:CRVB:2026:321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende bewijs duurzaam arbeidsvermogenverlies
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van het ontbreken van duurzaam arbeidsvermogen vanaf zijn achttiende verjaardag. Het UWV wees de aanvraag af omdat eerder was vastgesteld dat appellant over arbeidsvermogen beschikte en er onvoldoende bewijs was dat hij binnen vijf jaar na zijn achttiende verjaardag duurzaam arbeidsongeschikt was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege een laattijdige aanvraag, waarbij de bewijslast bij appellant lag. De verzekeringsarts concludeerde dat het verlies van arbeidsvermogen waarschijnlijk pas na de relevante periode plaatsvond, namelijk tussen maart en oktober 2022. De Raad onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de medische gegevens uit de periode 2010-2015 onvoldoende zijn om duurzaam arbeidsvermogenverlies vast te stellen.
Appellant voerde aan dat hij sinds zijn jeugd beperkingen had, maar dit kon niet worden bewezen door het ontbreken van relevante medische informatie. De Raad bevestigde dat de laattijdigheid van de aanvraag en het ontbreken van bewijs voor de relevante periode leiden tot het afwijzen van de Wajong-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs van duurzaam arbeidsvermogenverlies in de relevante periode.