ECLI:NL:CRVB:2026:322

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
25/773 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen bij appellant

Appellant heeft een laattijdige aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van beperkingen door een disharmonisch profiel en een lichte autisme spectrum stoornis. Het UWV heeft na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek geconcludeerd dat appellant arbeidsvermogen bezit en daarom de uitkering geweigerd.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en geoordeeld dat appellant ten minste vier uur per dag belastbaar is en een taak aaneengesloten gedurende een uur kan verrichten. Appellant voerde aan dat de medische beoordeling onvoldoende was toegespitst op zijn situatie en dat hij door psychische klachten niet duurzaam kon functioneren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig heeft uitgevoerd, dat appellant voldoende basale werknemersvaardigheden bezit en dat de noodzaak van begeleiding het arbeidsvermogen niet uitsluit. Het verzoek tot benoeming van een deskundige wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellant arbeidsvermogen bezit.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/773 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 maart 2025, 24/3066 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellant vindt dat hij op de dag dat hij achttien jaar is geworden en in de vijf jaar daarna (duurzaam) niet over arbeidsvermogen beschikte en om die reden als jonggehandicapte had moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.C.D. Klaassen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaassen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedag] 1999, heeft met een door het Uwv op 16 juni 2023 ontvangen formulier een laattijdige aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant beperkingen ervaart als gevolg van een disharmonisch profiel en een lichte vorm van een autisme spectrum stoornis. Bij de aanvraag zijn twee verslagen van psychodiagnostische onderzoeken gevoegd en is informatie van begeleiders en jobcoaches van appellant overgelegd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 3 oktober 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
Bij besluit van 6 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de beperkingen van appellant sinds zijn achttiende verjaardag ongewijzigd zijn. Ondanks deze beperkingen kan appellant tenminste een uur aaneengesloten werken zonder een structurele onderbreking ten behoeve van begeleiding of aansturing. Gezien zijn dagverhaal en activiteiten was en is appellant ten minste vier uur per dag belastbaar. Er is geen sprake van ziekte die maakt dat hij niet voor vier uur per dag, eventueel niet aaneengesloten, of twee uur indien per uur het wettelijk minimumloon verdiend kan worden, belastbaar zou zijn. Appellant kan ook gedurende een uur aaneen een taak verrichten. Medisch gezien is er sprake van arbeidsvermogen. Met inachtneming van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 2 oktober 2023 geconcludeerd dat appellant beschikt over basale werknemersvaardigheden, omdat hij in staat is een (duidelijke en enkelvoudige) instructie te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Dit heeft hij in de praktijk laten zien en er zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen beperkingen vastgesteld voor herinneren, richten van de aandacht, uitvoeren van dagelijkse routinehandelingen en/of interacties en relaties kunnen aangaan. Ook kan appellant een taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Daarbij is een sociale werkomgeving een zeer belangrijke factor. Onder 7.1.2 van zijn rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voorwaarden genoemd voor het functioneren in werk. Er dient sprake te zijn van een begripvolle werkomgeving waarbij appellant een bemoedigende begeleiding krijgt. Als de werkplek hieraan voldoet heeft appellant ruim voldoende basale werknemersvaardigheden. De taak ophangen van onderdelen (1901) houdt met alle gestelde voorwaarden voldoende rekening.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft daartegen aangevoerd dat een sociale werkomgeving geen oplossing biedt wanneer de basale belastbaarheid ontbreekt. Het Uwv heeft daarnaast de medische gegevens van de behandelaren niet besproken. Het oordeel stond al vast en is niet toegespitst op appellant. Dit is in strijd met een zorgvuldige en onpartijdige beoordeling. Verder is de duurzaamheid onvoldoende onderkend. Door overbelasting, stress en psychische klachten is het appellant in acht, negen jaar niet gelukt om duurzaam te functioneren in arbeid. Hij is niet in staat om vier uur per dag en een uur aaneengesloten te werken door ernstige beperkingen in energie, concentratie en prikkelverwerking. Appellant heeft aangevoerd dat er vanwege de complexiteit van de zaak en de discrepantie tussen de conclusies van het Uwv en de feitelijke belastbaarheid, een deskundige dient te worden benoemd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Daarvan is sprake als een betrokkene geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft een betrokkene geen arbeidsvermogen als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. De beoordeling van het arbeidsvermogen is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant per de dag dat hij achttien jaar is geworden en in de vijf jaar daarna, arbeidsvermogen had. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat appellant niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur en niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.
Medische beoordeling
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van deze artsen.
5.4.
Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Daar wordt nog het volgende aan toegevoegd. Anders dan appellant heeft betoogd, hebben de verzekeringsartsen van het Uwv de voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een Wajong-uitkering specifiek getoetst aan de persoon van appellant. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, kennis genomen van de door appellant overgelegde informatie en hem gesproken tijdens een videospreekuur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossierstudie verricht, is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft appellant aansluitend medisch onderzocht. Vervolgens hebben de verzekeringsartsen geoordeeld dat appellant gelet op zijn dagverhaal en activiteiten in staat is gedurende vier uur per dag een taak te verrichten, eventueel verdeeld over twee keer twee uur. De beroepsgrond dat appellant hiertoe niet in staat was door ernstige vermoeidheidklachten slaagt niet omdat appellant niet met medische stukken heeft onderbouwd dat daarvan in de hier te boordelen periode sprake was. Daarnaast heeft appellant in de praktijk laten zien dat hij gedurende vier uur een uur aaneengesloten in staat is een taak te verrichten in zijn werkzaamheden bij de werkplaats waar zijn oom begeleider was en daarna in het bedrijf van een zelfstandig ondernemer. Buiten toedoen van appellant konden deze werkzaamheden helaas niet worden voortgezet. In de timmerfabriek waar hij vervolgens ging werken moest hij zich ziekmelden omdat in die functie, anders dan in de twee hiervoor bedoelde functies, de beperkingen van appellant niet in acht werden genomen. Appellant is volgens de verzekeringsartsen van het Uwv onder meer beperkt voor werkdruk. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 2 oktober 2023 volgt dat daarvan in de laatstgenoemde functie wel sprake was.
5.5.
De verzekeringsartsen van het Uwv hebben ook gemotiveerd toegelicht dat appellant in staat is een taak een uur aaneengesloten te verrichten. Anders dan appellant heeft aangevoerd, staat de noodzaak van begeleiding niet in de weg aan het aannemen van arbeidsvermogen.
5.6.
Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen, afgewezen.
5.7.
Appellant heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van het Uwv dat hij een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie en over basale werknemersvaardigheden beschikt. Deze voorwaarden behoeven daarom geen bespreking.
5.8.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het Uwv terecht heeft gevolgd in het standpunt dat appellant op zijn achttiende verjaardag en in de vijf jaar daarna beschikte over arbeidsvermogen en om die reden niet als jonggehandicapte in de zin van de Wajong is aan te merken. De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is, kan daarom onbeantwoord blijven.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) M.G.J. van Eck