ECLI:NL:CRVB:2026:323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende bewijs arbeidsvermogen
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van het ontbreken van arbeidsvermogen vanaf zijn achttiende verjaardag en de daaropvolgende vijf jaar. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft de uitkering geweigerd omdat appellant in de relevante periode arbeidsvermogen heeft gehad, onder meer aangetoond door een dienstverband van september 2003 tot februari 2005.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat de bewijslast bij appellant ligt vanwege de laattijdige aanvraag en dat er onvoldoende objectieve medische informatie beschikbaar was om het ontbreken van arbeidsvermogen vast te stellen. Appellant is niet verschenen voor medisch onderzoek, waardoor de verzekeringsarts geen onderbouwd oordeel kon geven.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunten herhaald, maar de Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukt dat het niet verschijnen voor medisch onderzoek en het ontbreken van bewijs voor het ontbreken van arbeidsvermogen voor risico van appellant komen. De weigering van de Wajong-uitkering blijft daarom in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.