ECLI:NL:CRVB:2026:323

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
25/731 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende bewijs arbeidsvermogen

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van het ontbreken van arbeidsvermogen vanaf zijn achttiende verjaardag en de daaropvolgende vijf jaar. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft de uitkering geweigerd omdat appellant in de relevante periode arbeidsvermogen heeft gehad, onder meer aangetoond door een dienstverband van september 2003 tot februari 2005.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat de bewijslast bij appellant ligt vanwege de laattijdige aanvraag en dat er onvoldoende objectieve medische informatie beschikbaar was om het ontbreken van arbeidsvermogen vast te stellen. Appellant is niet verschenen voor medisch onderzoek, waardoor de verzekeringsarts geen onderbouwd oordeel kon geven.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunten herhaald, maar de Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukt dat het niet verschijnen voor medisch onderzoek en het ontbreken van bewijs voor het ontbreken van arbeidsvermogen voor risico van appellant komen. De weigering van de Wajong-uitkering blijft daarom in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende bewijs van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/731 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2025, 24/9306 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Appellant vindt dat hij op [geboortedatum] 1999 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) en in de periode van vijf jaar daarna duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte en daarom jonggehandicapte in de zin van de Wajong is. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 februari 2026. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 1981. Hij heeft met een door het Uwv op 17 juni 2022 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat bij appellant sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en mogelijk ook van psychoses en/of schizofrenie. Het Uwv heeft vervolgens een arbeidsdeskundig en verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna is geconcludeerd dat appellant in de periode van 29 september 2003 tot en met 10 februari 2005 fulltime heeft gewerkt, waarmee hij heeft aangetoond in deze periode arbeidsvermogen te hebben gehad. Ook beschikte appellant over arbeidsvermogen op [geboortedatum] 2004. Met het besluit van 29 augustus 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 2 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vooropgesteld dat de aanvraag van appellant een zogeheten laattijdige aanvraag betreft, waardoor de bewijslast van de aanwezigheid van een beperking op de achttiende verjaardag of in de vijf jaren erna (de Amberperiode) én het ontbreken van arbeidsvermogen bij de laattijdige aanvrager ligt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er in dit geval voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep vrijwel geen objectieve medische informatie beschikbaar was om het arbeidsvermogen van appellant op zijn achttiende jaar en in de Amberperiode te kunnen beoordelen. Appellant heeft zelf ook geen medische stukken aangeleverd. Het staat volgens de rechtbank wel vast dat appellant op zijn achttiende verjaardag en gedurende de Amberperiode allerlei problemen had en dat het voor hem lastig was om staande te blijven in het leven. Medisch gezien kan daaruit echter geen ontbreken van arbeidsvermogen worden vastgesteld. Het Uwv heeft er vervolgens terecht op gewezen dat appellant van september 2003 tot februari 2005 een contract had bij de Stichting [naam] . Het Uwv heeft daaruit geconcludeerd dat appellant in elk geval in die periode arbeidsvermogen had en dat dit vermogen dus niet duurzaam verloren is gegaan in de Amberperiode. Appellant heeft gesteld dat hij in deze periode feitelijk niet heeft gewerkt en dat dit dienstverband bij de Stichting [naam] niet bij de beoordeling mag worden betrokken, maar objectief gezien is er geen bewijs geleverd dat appellant feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht en dat hij daartoe ook niet in staat is geweest. Dit had wel op de weg van appellant gelegen, gelet op de op hem rustende bewijslast. Het Uwv mocht dan ook afgaan op de juistheid van de beschikbare gegevens over het dienstverband bij de Stichting [naam] en heeft deze omstandigheid terecht meegewogen in de beoordeling van het arbeidsvermogen van appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft herhaald dat hij feitelijk nooit werkzaamheden heeft verricht voor de Stichting [naam] en dat zijn gedrag, waaronder het tot drie maal toe niet verschijnen op het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, een aanwijzing is voor het feit dat hij al vanaf zijn achttiende jaar een Wajong-uitkering had moeten krijgen. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant een verklaring van zijn moeder overgelegd over het dienstverband bij Stichting [naam] .
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.
5.2.
In het rapport van 30 september 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat de belastbaarheid in de in geding zijnde periode (de achttiende verjaardag van appellant en de vijf jaren erna) niet kan worden vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat het op basis van de aanwezige informatie waarschijnlijk is dat bij appellant sprake was van ziekte of gebrek op het achttiende jaar. Omdat verdere informatie ontbrak en appellant eerder niet door de verzekeringsarts op een spreekuur is onderzocht, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant driemaal uitgenodigd voor een medisch onderzoek. Enerzijds om de situatie in het heden te beoordelen en tevens om na te gaan of er informatie uit de in geding zijnde periode beschikbaar is. Appellant is telkens niet verschenen voor het medisch onderzoek, waardoor het voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet mogelijk is een onderbouwd antwoord te geven op de vraag of bij appellant sprake was van arbeidsvermogen op de in geding zijnde periode en, zo nee, wanneer de afwezigheid van arbeidsvermogen dan is ingetreden. Reeds om deze reden kan niet worden beoordeeld of appellant recht heeft op een Wajong-uitkering. Dit komt volgens vaste rechtspraak voor risico van de laattijdige aanvrager. [1]

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 12 november 2025, ECLI:NL:CRVB:1638.