ECLI:NL:CRVB:2026:33
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning van verhuisadvies en verhuiskostenvergoeding op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met betrekking tot de hoogte van de vergoeding
In deze zaak heeft appellante, geboren in 1992 en bekend met lichamelijke klachten, op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een verzoek ingediend voor een verhuisadvies en een verhuiskostenvergoeding. Het college van burgemeester en wethouders van Zeist heeft op 10 juli 2023 een verhuisadvies afgegeven, maar de aanvraag voor de verhuiskostenvergoeding afgewezen. Na bezwaar heeft het college op 20 september 2023, onder herroeping van het eerdere besluit, een verhuiskostenvergoeding van € 3000,- toegekend. Appellante was het niet eens met de hoogte van deze vergoeding en heeft haar bezwaar gehandhaafd. Het college verklaarde het bezwaar op 27 februari 2024 ongegrond, omdat appellante niet had aangetoond dat het standaardbedrag ontoereikend was.
De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten. De rechtbank oordeelde dat uit de door appellante overgelegde stukken niet bleek dat de gekozen oplossing voor de inrichting van haar woning de goedkoopst adequate was. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het standaardbedrag van € 3000,- niet passend is, maar de Raad heeft geoordeeld dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt de aangevallen uitspraak, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.