ECLI:NL:CRVB:2026:33

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/2618 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van verhuisadvies en verhuiskostenvergoeding op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met betrekking tot de hoogte van de vergoeding

In deze zaak heeft appellante, geboren in 1992 en bekend met lichamelijke klachten, op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een verzoek ingediend voor een verhuisadvies en een verhuiskostenvergoeding. Het college van burgemeester en wethouders van Zeist heeft op 10 juli 2023 een verhuisadvies afgegeven, maar de aanvraag voor de verhuiskostenvergoeding afgewezen. Na bezwaar heeft het college op 20 september 2023, onder herroeping van het eerdere besluit, een verhuiskostenvergoeding van € 3000,- toegekend. Appellante was het niet eens met de hoogte van deze vergoeding en heeft haar bezwaar gehandhaafd. Het college verklaarde het bezwaar op 27 februari 2024 ongegrond, omdat appellante niet had aangetoond dat het standaardbedrag ontoereikend was.

De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten. De rechtbank oordeelde dat uit de door appellante overgelegde stukken niet bleek dat de gekozen oplossing voor de inrichting van haar woning de goedkoopst adequate was. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het standaardbedrag van € 3000,- niet passend is, maar de Raad heeft geoordeeld dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en bevestigt de aangevallen uitspraak, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2024, 24/3905 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zeist (college)
Datum uitspraak: 15 januari 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de hoogte van de aan appellante verstrekte verhuiskostenvergoeding. De Raad is het eens met het oordeel van de rechtbank dat het college met de toegekende vergoeding een passende bijdrage heeft geleverd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Boundati en M.G.M. ‘t Hart.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1992, is bekend met lichamelijke klachten en heeft als gevolg daarvan beperkingen. Zij heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verzocht om een verhuisadvies en een verhuiskostenvergoeding zodat zij kan verhuizen naar een gelijkvloerse woning.
1.2.
Met een besluit van 10 juli 2023 heeft het college een verhuisadvies afgegeven, maar de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding afgewezen. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Met een besluit van 20 september 2023 heeft het college, onder herroeping van het besluit van 10 juli 2023, naast het verhuisadvies een verhuiskostenvergoeding verstrekt van € 3000,-. Appellante heeft haar bezwaar gehandhaafd, omdat zij het niet eens is met de hoogte van de vergoeding.
1.4.
Met een besluit van 27 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standaardbedrag van € 3000,- ontoereikend is. Voor de kosten van een verhuizing is gekeken naar de informatie van de branchevereniging Erkende Verhuizers en voor de kosten van stoffering van een woning naar de prijzen van het Nibud. Appellante heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat het noodzakelijk was om aanzienlijk hogere kosten te maken. Appellante heeft offertes overgelegd, maar hieruit blijkt dat niet voor de goedkoopst adequate oplossing is gekozen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat uit de door appellante overgelegde stukken niet blijkt dat dit de goedkoopst adequate oplossing is voor de inrichting van haar woning. Daarom is niet gebleken dat het college met de toegekende verhuiskostenvergoeding geen passende bijdrage heeft geleverd. De beroepsgrond dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of er reden was voor afwijking van het standaardbedrag slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat bij de melding en in de bezwaarfase al de specifieke omstandigheden van appellante in beeld zijn gebracht. Hieruit bleek geen reden om af te wijken van het standaardbedrag. Verder heeft appellante in bezwaar en beroep niet onderbouwd waarom in haar geval van het standaardbedrag zou moeten worden afgeweken. De stelling van appellante dat is gekozen voor laminaat in plaats van vinyl vanwege de gehorigheid van de woning, is niet nader onderbouwd en kan alleen daarom al niet tot een ander oordeel leiden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij vindt dat het standaardbedrag van € 3000,- aan verhuiskostenvergoeding in haar situatie niet als passend en toereikend kan worden aangemerkt. Het college heeft volgens appellante niet haar specifieke omstandigheden in kaart gebracht.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Appellante heeft in hoger beroep in de kern herhaald wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) C.K. Teunissen