ECLI:NL:CRVB:2026:335
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-aanvraag wegens onvoldoende bewijs van verzekering in Nederland
Appellant heeft in juni 2022 een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij van 1978 tot 1981 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Ter onderbouwing overhandigde hij een inschrijfkaart van een ziekenfonds. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft onderzoek gedaan en geconcludeerd dat appellant niet in het bevolkingsregister van de gemeenten Ede en Wageningen voorkomt, noch in het Schakelregister, en ook niet bekend is bij het Pensioenfonds Meubel.
De Svb wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant verzekerd was voor de AOW. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij in loondienst was geweest en verwees naar de ziekenfondskaart, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de overgelegde stukken onvoldoende bewijs vormen dat appellant minimaal één jaar in Nederland verzekerd was, zoals vereist volgens artikel 7 van Pro de AOW.
De Raad concludeerde dat appellant geen aanspraak kan maken op AOW-pensioen omdat er geen voldoende bewijs is dat hij in Nederland heeft gewoond of gewerkt gedurende de vereiste periode. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de AOW-aanvraag wordt bevestigd.