ECLI:NL:CRVB:2026:34

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/119 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de verzekering voor de Wet langdurige zorg (Wlz) wegens het ontbreken van ingezetenschap in Nederland

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van de verzekering voor de Wet langdurige zorg (Wlz) van appellant. Appellant, die sinds 9 september 2019 niet meer als ingezetene van Nederland wordt aangemerkt, heeft hoger beroep ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had vastgesteld dat appellant niet meer verzekerd was voor de Wlz omdat hij in Indonesië woont. De Raad heeft de feiten en omstandigheden van de zaak beoordeeld, waarbij werd gekeken naar de binding van appellant met Nederland. Ondanks zijn sterke binding met Nederland, zoals familie en vrienden, oordeelde de Raad dat deze binding niet voldoende was om een duurzame band van persoonlijke aard aan te nemen. De Raad bevestigde dat appellant vanaf 9 september 2019 niet meer als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt, en dat de beëindiging van zijn verzekering voor de Wlz terecht was. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en appellant kreeg geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2024, 23/5883 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 januari 2026

SAMENVATTING

Appellant is vanaf 9 september 2019 niet verzekerd op grond van de Wlz, omdat hij niet meer als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Hoewel de binding van appellant met Nederland groot is, is deze binding van onvoldoende gewicht om een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland – en daarmee ook woonplaats in Nederland – aan te nemen.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Appellant is verschenen door middel van videobellen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds [geboortedatum] 2012 een pensioen en een toeslag op grond van de AOW [1] . In het kader van een onderzoek naar de feitelijke woon- en/of leefsituatie van AOW-gerechtigden van wie de partner geregistreerd staat als (permanent) wonend buiten Nederland, heeft de Svb onderzoek gedaan naar appellant. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op grond van openbare bronnen, het opvragen van informatie bij appellant en derden en een huisbezoek op 4 juni 2019 op het adres waar appellant stond en staat ingeschreven. De Svb heeft in de handhavingsrapportage van 7 juli 2022 geconcludeerd dat appellant niet woonachtig is in Nederland, maar in Indonesië. De Svb heeft vervolgens met een besluit van 25 juli 2022 het netto te betalen maandbedrag van het AOW-pensioen aangepast, omdat appellant vanaf 9 september 2019 in een ander land woont. Een verzoek van appellant om terug te komen van dit besluit werd in november 2022 afgewezen.
1.2.
Op 12 januari 2023 heeft Nationale Nederlanden de Svb gevraagd om onderzoek te doen naar de verzekering van appellant voor de Wlz [2] en de Zvw [3] vanaf 1 januari 2016 omdat appellant permanent in het buitenland (Indonesië) lijkt te verblijven en daardoor gerede twijfel is ontstaan over zijn recht op zorgverzekering in Nederland. Met een besluit van 1 februari 2023 heeft de Svb vastgesteld dat appellant voor de Wlz verzekerd is geweest in de periode vanaf 1 januari 2016 tot 9 september 2019. Vanaf 9 september 2019 tot de datum van het besluit wordt appellant niet meer verzekerd geacht omdat hij geen ingezetene is van Nederland.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 februari 2023 heeft de Svb in het besluit van 25 juli 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek van de Svb naar de woon- en leefsituatie van appellant niet onzorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank heeft de Svb afdoende gemotiveerd dat appellant vanaf 9 september 2019 tot 1 februari 2023 niet (ook) woonplaats in Nederland had en geeft hetgeen appellant heeft aangevoerd geen feitelijke aanknopingspunten voor een ander oordeel.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij is van mening dat hij in de periode in geding wel een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en ook nu nog steeds heeft. Volgens appellant heeft de rechtbank onvoldoende alle omstandigheden van het geval meegenomen bij haar beoordeling. Veel familie en vrienden wonen in Nederland, waaronder vier van zijn vijf kinderen. Hij staat in de BRP [4] ingeschreven op het adres van zijn dochter in [woonplaats] . In de periode tot 2019 kwam hij een paar keer per jaar naar Nederland. In de periode tussen 9 september 2019 en eind 2022 kon appellant niet naar Nederland komen in verband met zijn gezondheid en later de COVID-19 restricties. Hij heeft Nederlandse bankrekeningen. Hij is belastingplichtig in Nederland met een onderneming die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Appellant heeft erop gewezen dat hij voor de belastingheffing wordt geacht woonplaats te hebben in zowel Nederland als Indonesië. Hij vindt het onbestaanbaar dat de Svb en de Belastingdienst uiteenlopende inzichten hebben met betrekking tot zijn woonplaats. Bovendien vindt appellant dat de Svb de datum 9 september 2019 als einddatum van zijn ingezetenschap van Nederland willekeurig heeft gekozen.
Het standpunt van de Svb
3.2.
De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens de Svb kan er slechts in zeer bijzondere situaties sprake zijn van een dubbele woonplaats. Een dergelijke, bijzondere situatie is hier niet aan de orde.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of appellant in de periode tussen 9 september 2019 en
1 februari 2023 (datum primair besluit) verzekerd is voor de Wlz en daardoor ook voor de Zvw. Daarvoor is in dit geval beslissend of appellant in die periode (mede) als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt.
Juridisch kader
4.1.1.
Verzekerd voor de Wlz is degene die ingezetene van Nederland is. [5] Ingezetene in de zin van die wet is degene die in Nederland woont. [6] Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. [7]
4.1.2.
De Svb stelt ambtshalve of op aanvraag de verzekering voor de Wlz vast. [8]
4.1.3.
Om te bepalen waar iemand woont moet acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. [9] Ook heeft de Hoge Raad overwogen dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld en niet uit te sluiten is dat iemand tegelijkertijd zowel met Nederland als met een ander land zodanige duurzame betrekkingen van persoonlijke aard onderhoudt dat hij gezegd moet worden in beide landen te wonen. [10] Een dergelijke dubbele woonplaats zal zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen. [11]
Ingezetenschap
4.2.
Appellant bestrijdt niet dat hij in Indonesië woont. Hij vindt echter dat hij een voldoende duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft om ook als ingezetene van Nederland te worden aangemerkt. Voor appellant is deze vaststelling met name van belang omdat hij als ingezetene van Nederland verzekerd is voor de Wlz en een zorgverzekering in Nederland kan afsluiten. Ook is de bepaling van de woonplaats in Nederland van belang voor zijn fiscale stabiliteit.
4.3.
De vraag of appellant vanaf 9 september 2019 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft op grond waarvan hij als ingezetene kan worden aangemerkt, beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, ontkennend. Hierbij gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.4.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 1947 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft in Nederland gestudeerd en daarna enige jaren in Nederland gewoond en gewerkt. Hij is twee keer gehuwd waarvan de laatste keer in 1994 met een Indonesische vrouw. Uit beide huwelijken heeft appellant kinderen. Die kinderen wonen nu bijna allemaal in Nederland, evenals veel andere familie en vrienden. Van 1996 tot 2001 verbleef het gezin in de Filipijnen, daarna 2,5 jaar in Engeland. Van 2003 tot 2008 heeft het gezin in Indonesië gewoond, waarna het gezin weer twee jaar in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond. Daarna is het gezin weer naar Indonesië verhuisd, waar het kon beschikken over een zelfstandige woning. Na het vertrek uit het Verenigd Koninkrijk in 2010 heeft appellant in Nederland een adviesbureau voor
civil registration(burgerlijke stand en identificatie) voor met name overheden van ontwikkelingslanden opgericht. Hij heeft zich met dit adviesbureau in 2011 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij werkte als adviseur voor diverse internationale organisaties en reisde voor zijn werkzaamheden de hele wereld af. Vanaf medio 2011 staat hij ingeschreven in de BRP op het adres van zijn dochter in [woonplaats] . Daarvoor, vanaf 2006, stond hij ingeschreven op het adres van zijn zoon in [plaats] . Appellant is een paar keer per jaar in Nederland en logeert dan bij zijn dochter in [woonplaats] en maakt dan gebruik van een slaapkamer van een van de kleinkinderen.
4.5.
Buiten kijf staat dat appellant een grote binding met Nederland heeft. De in aanmerking komende omstandigheden van dit geval, in hun onderlinge samenhang bezien, zijn echter van onvoldoende gewicht om een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland – en daarmee woonplaats in Nederland – vanaf 9 september 2019 aan te nemen. De Raad acht hierbij van belang dat appellant al heel lang niet meer daadwerkelijk in Nederland woont en zich in 2010 met zijn echtgenote in Indonesië heeft gevestigd waar zij een eigen woning hebben. Appellant heeft in Nederland geen duurzaam tot zijn beschikking staande woonruimte en geen bezittingen. Een paar keer per jaar verblijft appellant in Nederland. Hij is weliswaar ingeschreven op het adres van zijn dochter, maar hieraan ligt geen onderzoek van de gemeente ten grondslag en een inschrijving in de BRP is geen doorslaggevend gegeven voor het hebben van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Volgens zijn verklaring op zitting heeft appellant zijn werkzaamheden grotendeels buiten Nederland en Indonesië verricht, vooral door het verzorgen van trainingen ter plekke. In 2014 heeft appellant in overleg met zijn belastingadviseur gekozen voor twee woonplaatsen (Indonesië en Nederland) en is hij op grond van het Belastingverdrag tussen Nederland en Indonesië ter voorkoming van dubbele belasting aangemerkt als binnenlands belastingplichtige. Zoals appellant ter zitting heeft bevestigd is aan deze vaststelling echter geen onderzoek door de Belastingdienst naar zijn woonsituatie voorafgegaan. Dat appellant in Nederland belasting betaalt, is voor zijn verzekeringspositie voor de volksverzekeringen niet doorslaggevend. De Svb is de bevoegde instantie om te bepalen of iemand voor de volksverzekeringen verzekerd is in Nederland. Als ten onrechte premies zijn betaald, kan appellant die terugvragen bij de Belastingdienst. [12]
4.6.
Volgens appellant is de datum 9 september 2019 als einde van het ingezetenschap willekeurig gekozen, omdat zijn situatie toen niet veel anders was dan de jaren daarvoor en hij bovendien door de COVID-19 restricties een lange periode niet kon reizen. Volgens de Svb is aansluiting gezocht bij die datum op grond van wat appellant zelf heeft vermeld op de toelichting bij het onderzoeksformulier van 6 juni 2022, namelijk dat hij sinds september 2019 niet meer in Nederland is geweest en sindsdien in Indonesië verblijft. De Svb sluit echter niet uit dat appellant het ingezetenschap van Nederland al eerder was verloren. Gezien de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier en ook op de zitting door appellant zijn bevestigd, is de Raad van oordeel dat appellant met de datum 9 september 2019 als einde van de verplichte verzekering voor de Wlz niet te kort is gedaan.

Conclusie en gevolgen

4.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit, waarin de verzekering voor de Wlz is beëindigd met ingang van 9 september 2019, in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M.S. van Veller
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip ingezetene.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet langdurige zorg (Wlz)
Artikel 1.2.1
Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.
Artikel 1.2.2, eerste lid
Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder a
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die:
a. ingezetene is
Artikel 2.1.3
De Sociale verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Wet langdurige zorg.
3.Zorgverzekeringswet.
4.Basisregistratie Personen.
5.Artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wlz.
6.Artikel 1.2.1 Wlz.
7.Artikel 1.2.2, eerste lid, Wlz.
8.Artikel 2.1.3 Wlz.
9.Arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824.
10.Arrest van de Hoge Raad van 22 december, 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX4909, BNB 1973/120.
11.Arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6824.
12.Vergelijk de uitspraak van 16 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:284.