ECLI:NL:CRVB:2026:344

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
25/2233 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-tijdige indiening en niet-betaling griffierecht

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar het beroepschrift is na afloop van de beroepstermijn ontvangen. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en begon te lopen op 17 september 2025, na toezending van de aangevallen uitspraak op 16 september 2025. Het beroepschrift werd pas op 3 november 2025 ontvangen, wat te laat is.

Daarnaast is appellant meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €143,- binnen een gestelde termijn. Ondanks herhaalde aanmaningen, waaronder een aangetekende brief die werd geweigerd en een daaropvolgende gewone brief, is het griffierecht niet betaald. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet inhoudelijk kan worden behandeld.

Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt daarom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding en niet-betaling van het griffierecht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, en uitgesproken op 24 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2233 PW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 september 2025, 25/1478 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 24 maart 2026

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 31 december 2025 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 143,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 2 februari 2026 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De aangetekende brief is op 25 februari 2026 bij de Raad retour binnengekomen, omdat het poststuk bij bezorging geweigerd is. Op 4 maart 2026 is de aangetekende brief opnieuw aan appellant verzonden, ditmaal per niet-aangetekende post. Daarbij is medegedeeld dat met de nieuwe toezending niet opnieuw een termijn is gaan lopen.
De termijn is verstreken en het griffierecht is niet betaald.
Voorts is in artikel 6:7 van Pro de Awb bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege als die overschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling of hiervan sprake is worden alle omstandigheden van het geval in hun samenhang bezien.
Als het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, dan moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij de beoordeling niet relevant.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 16 september 2025 in afschrift bij aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 17 september 2025 en geëindigd is op 29 oktober 2025.
Het beroepschrift is op 3 november 2025 ontvangen en is dus na afloop van de beroepstermijn ingediend.
Bij brief van 27 januari 2026 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft niet op deze brief gereageerd en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor de genoemde verzuimen. Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.