ECLI:NL:CRVB:2026:345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante heeft sinds 2009 meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV telkens heeft geweigerd terug te komen op het oorspronkelijke besluit van 7 juli 2009. Dit besluit wees de uitkering af omdat appellante niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest en geacht werd meer dan 75% van het minimumloon te kunnen verdienen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij nieuwe medische feiten had aangevoerd, waaronder een PTSS-diagnose en lichamelijke klachten zoals fibromyalgie, die het UWV had moeten meenemen. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat deze feiten niet nieuw waren ten opzichte van de eerdere beoordeling en dat de medische situatie op haar achttiende jaar al voldoende was meegewogen.
De Raad concludeert dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk heeft gemotiveerd dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven om terug te komen op het eerdere besluit. Ook het beroep op de duuraanspraakjurisprudentie slaagt niet, omdat de medische informatie uit 2009 niet onjuist is beoordeeld.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om terug te komen op de geweigerde Wajong-uitkering blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.