ECLI:NL:CRVB:2026:347

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
26/226 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding in zorgkantoorzaak

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De Raad beoordeelt dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend; de beroepstermijn liep van 20 februari 2025 tot 3 april 2025, terwijl het beroepschrift pas op 27 januari 2026 werd ontvangen.

Appellante voerde aan dat zij door late reacties van de gemachtigde van het zorgkantoor en het niet kunnen regelen van een advocaat niet eerder kon instellen. De Raad oordeelt dat deze omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Uit e-mailcorrespondentie blijkt dat appellante op de hoogte was van de beroepstermijn en zelfs voornemens was hoger beroep in te stellen.

Daarom wordt het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard omdat de eis van formele connexiteit ontbreekt, nu het hoger beroep wordt behandeld. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 19 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en gebrek aan formele connexiteit.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter
26/226 WLZ, 26/293 WLZ-VV
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht, op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 februari 2025, 23/3591 (aangevallen uitspraak) en uitspraak als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
CZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 19 maart 2026

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

OVERWEGINGEN

Hoger beroep (26/226 WLZ)
1.1.
In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn per post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb. Uit artikel 6:24 van Pro de Awb volgt dat deze bepalingen ook gelden voor het hoger beroep.
1.2.
Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van Pro de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
1.3.
Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd.
1.4.
Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Het oordeel van de Raad

2. De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 19 februari 2025 in afschrift met een aangetekende brief aan partijen toegezonden. Dat betekent dat de termijn om hoger beroep in te stellen is aangevangen op 20 februari 2025 en is geëindigd op 3 april 2025.
2.1.
Het beroepschrift is op 27 januari 2026 en dus geruime tijd na afloop van de beroepstermijn ontvangen. Bij brief van 23 februari 2026 is aan appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
2.2.
Appellante heeft daar met een e-mailbericht van 26 februari 2026 op gereageerd. Kort samengevat heeft zij naar haar zeggen in de periode na datum van de aangevallen uitspraak meermaals contact opgenomen met de gemachtigde van het zorgkantoor over de vermeende tenuitvoerlegging van die uitspraak. Volgens appellante heeft de gemachtigde van het zorgkantoor heel laat op haar e-mailberichten gereageerd en heeft zij geen advocaat meer kunnen regelen die haar wilde bijstaan.
2.3.
Appellante heeft daarmee geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Niet alleen valt uit de beschikbare emailberichten af te leiden dat van de zijde van het zorgkantoor voor het einde van de beroepstermijn, te weten op 25 maart 2025, inhoudelijk is gereageerd op e-mails van appellante, ook blijkt uit haar e-mailberichten van 5 en 6 maart 2025 dat appellante op de hoogte was van de termijn waarbinnen zij hoger beroep moest instellen en dat zij voornemens was om in hoger beroep te gaan indien zij op 20 maart 2025 een door haar gewenste betaling niet van het zorgkantoor zou hebben ontvangen. Niet is gebleken dat zij, om de haar bekende termijn veilig te stellen, niet bijvoorbeeld al vast tijdig pro forma hoger beroep had kunnen instellen. Uit een mail van 3 juli 2025 van appellante blijkt veeleer dat zij niet naar de rechter wilde.

Conclusie en gevolgen

2.4.
Het hoger beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat daarop zonder verder onderzoek kan worden beslist.
3. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Voorlopige voorziening (26/293 WLZ-VV)
4. Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, als tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

5.1.
Op een verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen inhoudelijk worden beslist, zolang het hoger beroep aanhangig is. Aan deze eis van formele connexiteit wordt niet meer voldaan, nu op het hoger beroep (26/226 WLZ) wordt beslist.

Conclusie en gevolgen

5.2.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

In de zaak met nummer 26/226 WLZ
- De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
In de zaak met nummer 26/293 WLZ-VV
- De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening nietontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen de uitspraak op het hoger beroep (26/226 WLZ) kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening (26/293 WLZ-VV) staat geen verzet open.