ECLI:NL:CRVB:2026:349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant stelt dat zijn medische beperkingen, waaronder ernstige rugklachten en depressie, onderschat zijn en dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn.
De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en oordeelt dat de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep juist is, waarbij beperkingen zijn vastgesteld voor psychische klachten en lichamelijke beperkingen zoals rugklachten en hartritmestoornis.
De Raad stelt vast dat de door appellant overgelegde medische stukken geen aanwijzingen bevatten voor ernstiger beperkingen dan reeds vastgesteld. Ook het medicijngebruik leidt niet tot extra beperkingen. De arbeidsdeskundige heeft passende functies geselecteerd die medisch geschikt zijn voor appellant.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en blijft de weigering van de WIA-uitkering in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 25 maart 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.