ECLI:NL:CRVB:2026:349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens eigen zeggen meer beperkingen heeft dan vastgesteld. Het UWV had de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling genomen vanwege het niet verschijnen op een spreekuur, maar heeft dit later alsnog gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), en de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant 24,72% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen reden was om te twijfelen aan de medische beoordeling of de geschiktheid van de geselecteerde functies. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn rugklachten en depressie ernstiger zijn dan aangenomen en dat medicijngebruik extra beperkingen zou moeten opleveren. Hij stelde ook dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische beoordeling juist is en dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld. Er is geen bewijs dat de depressie of rugklachten ernstig zijn, noch dat medicatiegebruik extra beperkingen veroorzaakt. De arbeidskundige beoordeling dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn, wordt bevestigd. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.