ECLI:NL:CRVB:2026:35

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/858 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet tijdig nemen van besluit en verzoek om schadevergoeding in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning

In deze uitspraak oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ten tijde van het instellen van het beroep was er geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Het verzoek om schadevergoeding in deze procedure wordt afgewezen omdat datgene wat volgens appellant schade heeft veroorzaakt nu niet ter beoordeling voorligt.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 september 2025, gelijktijdig met procedurenummer 25/1571. Appellant is verschenen. Het college heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen en zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Smith en I. Zeper. Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft appellant een verzoek ingediend om wraking van de behandelend rechter en vervolgens een verzoek om wraking van de rechters die dit verzoek zouden beoordelen. Beide verzoeken zijn afgewezen.

De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De Raad stelt vast dat het college op 16 oktober 2024 een besluit heeft genomen op de aanvraag van appellant. Bij de formulering van de ingebrekestelling heeft appellant zich uitsluitend geconcentreerd op het ontbreken van een formeel besluit over de voorzetting of de beëindiging van zijn verblijf bij de zorgaanbieder. Hij heeft niet gereageerd op de vraag van het college of de ingebrekestelling was bedoeld als een melding en geen nieuwe aanvraag gedaan.

Gelet op de feiten en omstandigheden heeft de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de vraag van onrechtmatigheid van de uitzetting niet aan de orde is in deze procedure. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

25/858 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2025, 25/1289 en 25/1290 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 15 januari 2026
SAMENVATTING
In deze uitspraak oordeelt de Raad dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ten tijde van het instellen van het beroep was er geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Het verzoek om schadevergoeding in deze procedure wordt afgewezen omdat datgene wat volgens appellant schade heeft veroorzaakt nu niet ter beoordeling voorligt.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 september 2025, gelijktijdig met procedurenummer 25/1571. Appellant is verschenen. Het college heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen en zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Smith en I. Zeper.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting van 29 september 2025 heeft appellant een verzoek ingediend om wraking van de behandelend rechter en vervolgens een verzoek om wraking van de rechters die dit verzoek zouden beoordelen. Beide verzoeken zijn afgewezen.
Vandaag wordt in de zaak 25/1571 afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 16 oktober 2024 heeft het college aan appellant een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) verstrekt over de periode van 8 september 2024 tot en met 7 september 2025 in de vorm van zorg in natura. Bij dit besluit is vermeld dat appellant minimaal acht weken voor de einddatum contact kan opnemen met het college als hij denkt dat hij na de einddatum nog steeds ondersteuning nodig heeft, en dat het college zijn situatie dan zal onderzoeken. Appellant verbleef in een kamer van zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] .
1.2.
Appellant heeft op 14 maart 2025 een ingebrekestelling aan het college gestuurd, omdat het college geen rechtsgeldig besluit heeft afgegeven over de voortzetting of beëindiging van zijn Wmo-indicatie, terwijl [naam zorgaanbieder] heeft aangegeven appellant op 7 september 2024 (lees 2025) uit zijn huidige woning te willen zetten. Appellant wil een officiële rechtsgeldige beschikking over zijn Wmo-indicatie per 7 september 2025. Het college heeft vervolgens aan appellant gevraagd of de ingebrekestelling moet worden opgevat als een melding. Zo ja, dan zal op korte termijn nader onderzoek plaatsvinden. Zo nee, dan blijft de huidige indicatie nog van kracht en zal de ingebrekestelling niet worden aangemerkt als een melding. Appellant heeft op deze vraag van het college niet gereageerd.
1.3.
Appellant heeft vervolgens op 31 maart 2024 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een formeel besluit van het college.
Uitspraak van de rechtbank
2. Met een uitspraak van 18 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag op grond van de Wmo 2015 (en het bijbehorende verzoek om een voorlopige voorziening) niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college met een besluit van 16 oktober 2024 heeft beslist op de aanvraag van appellant en een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen aan appellant heeft verstrekt voor de periode van 8 september 2024 tot en met 7 september 2025. Er zijn verder geen aanvragen van appellant waarop door het college nog geen beslissing is genomen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft tegen die uitspraak – kort samengevat – aangevoerd dat er nooit een rechtsgeldige bekendmaking is geweest van het besluit van 16 oktober 2024. Verder heeft appellant een verzoek om vergoeding van (met name immateriële) schade ingediend omdat hij op 18 april 2025 uit zijn kamer is gezet.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De Raad stelt vast dat het college op 16 oktober 2024 een besluit heeft genomen op de aanvraag van appellant. Bij de formulering van de ingebrekestelling heeft appellant zich uitsluitend geconcentreerd op het ontbreken van een formeel besluit over de voorzetting of de beëindiging van zijn verblijf bij [naam zorgaanbieder] vanaf 7 september 2025. Hij heeft niet gereageerd op de vraag van het college of de ingebrekestelling was bedoeld als een melding en geen nieuwe aanvraag gedaan.
4.2.
Ten tijde van het instellen van het beroep op 31 maart 2025 was er dus geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit, waartegen op grond van artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep kon worden ingesteld. Immers op 16 oktober 2024 had het college al een besluit genomen en hierna is geen melding gedaan of aanvraag ingediend. Zoals de Raad eerder heeft overwogen heeft het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb ten doel het bestuursorgaan ertoe te bewegen alsnog een besluit te nemen. Hiertoe wordt aan een belanghebbende een rechtsmiddel geboden in de situatie waar het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen. Gelet op de beperkte strekking van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, kan op grond van deze bepaling geen rechtsmiddel meer worden aangewend nadat een voor (bezwaar en) beroep vatbaar besluit is genomen. [1]
4.3.
Gelet op 4.1 en 4.2 heeft de rechtbank genoemd beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoek om schadevergoeding
4.4.
Appellant heeft zijn verzoek om schadevergoeding onderbouwd met de stelling dat de uitzetting uit zijn kamer op 18 april 2025 onrechtmatig is geweest. Zoals de Raad bij brief van 2 september 2025 aan appellant heeft laten weten, is die vraag in deze procedure niet aan de orde. De Raad zal het verzoek om schadevergoeding in deze procedure dan ook afwijzen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ’t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:2
Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en
b. het niet tijdig nemen van een besluit.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 januari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO2505.