ECLI:NL:CRVB:2026:350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid werknemer op 71,11% door UWV
In deze zaak staat de vraag centraal of het UWV terecht een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% heeft vastgesteld voor een werknemer die sinds 2014 arbeidsongeschikt is. Appellante betwistte de vaststelling en stelde dat de werknemer meer medische beperkingen heeft dan door het UWV is aangenomen.
De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft verricht en dat de functionele mogelijkheden van de werknemer correct zijn vastgesteld. De Belgische medische rapportage werd meegewogen, maar het UWV mocht afwijken omdat de beoordeling volgens Nederlandse wet- en regelgeving moet plaatsvinden.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. De Raad vond dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische en arbeidskundige gronden voldoende had gemotiveerd en dat de door appellante aangevoerde nieuwe medische informatie niet leidde tot een ander oordeel. De mate van arbeidsongeschiktheid van 71,11% blijft gehandhaafd, waarmee de werknemer recht heeft op een WGA-uitkering en niet op een IVA-uitkering.
De Raad wees het hoger beroep af en liet de proceskosten voor rekening van appellante. De uitspraak werd gedaan door E.W. Akkerman op 25 maart 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een mate van arbeidsongeschiktheid van 71,11% heeft vastgesteld.