ECLI:NL:CRVB:2026:353

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
18/1780 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid op 12 mei 2010 en 1 februari 2011

Appellant, werkzaam als monteur, meldde zich in 2008 ziek met rugklachten en ontving diverse uitkeringen op grond van Ziektewet en Werkloosheidswet. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen per diverse data, waaronder 12 mei 2010 en 1 februari 2011, omdat geen toename van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.

In hoger beroep betwistte appellant dat hij op genoemde data geen aanvullende beperkingen had, mede vanwege het gebruik van Diazepam. Een expertiserapport stelde dat het gebruik van Diazepam tot extra beperkingen zou moeten leiden, maar de Raad concludeerde op basis van medische gegevens en huisartsverklaringen dat appellant op die data geen of geen relevante Diazepamgebruik had. De stelling van incidenteel gebruik werd niet onderbouwd.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd vastgesteld dat de procedure de redelijke termijn had overschreden met ruim een jaar, waardoor appellant recht heeft op een schadevergoeding van €1.500,-, waarvan het UWV en de Staat een deel betalen. Beide partijen werden ook in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd, met toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

18/1780 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 februari 2018, 17/2360 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 25 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. van der Linden, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een expertiserapport van verzekeringsarts E.C. van der Eijk van 15 juli 2021 in geding gebracht. Het Uwv heeft hierop gereageerd.
Wegens ziekte van de gemachtigde van appellant is de verdere behandeling van de zaak uitgesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 november 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te bieden onderling overleg te voeren. De Raad heeft ook een vraag gesteld aan het Uwv. Bij brief van 30 januari 2024 heeft het Uwv deze vraag beantwoord en meegedeeld nadere informatie te zullen opvragen bij de huisarts van appellant.
Bij brief van 28 november 2024 heeft de Raad appellant meegedeeld dat hij, ondanks diverse rappels, niets heeft vernomen over de uitkomst van het overleg met het Uwv en dat het blijkbaar niet mogelijk is gebleken de gegevens van de (nieuwe) huisarts te achterhalen. De Raad heeft appellant verzocht de gevraagde informatie alsnog te verstrekken. Bij brieven van 2 januari 2025, 3 januari 2025, en 6 februari 2025, met bijlagen, heeft appellant gereageerd. Het Uwv heeft hierop bij brief van 18 maart 2025, met bijlagen, een reactie gegeven.
Met het oog op een efficiënte behandeling van het hoger beroep ter zitting, heeft de Raad bij brief van 28 augustus 2025 geïnventariseerd waarover partijen nog met elkaar van mening verschillen en appellant verzocht mee te delen waarom hij het over die punten oneens is met het Uwv.
Bij brieven van 10 januari 2026 en 12 januari 2026, met bijlagen, heeft appellant deze vragen beantwoord. Bij brieven van 26 januari 2026 en 2 maart 2026, met bijlagen, heeft het Uwv gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 4 maart 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich weer laten vertegenwoordigen door Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is vanaf 16 januari 2006 werkzaam geweest als monteur van systeemwanden en -plafonds bij [naam B.V. 1] Op 22 januari 2008 heeft hij zich ziekgemeld wegens klachten aan de onderrug met uitstraling in het rechterbeen. Het Uwv heeft appellant met ingang van 22 januari 2008 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 19 januari 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 25 augustus 2010 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij uitspraak van 8 juli 2011 (AWB 10/3269) dat beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 augustus 2010 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
1.2.
Appellant heeft vanaf 19 januari 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 12 mei 2010 heeft hij zich ziekgemeld wegens lage rugklachten. Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft het Uwv appellant, nadat de WWuitkering 13 weken was doorbetaald, per 11 augustus 2010 een ZW-uitkering toegekend. Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering per 1 februari 2011 beëindigd. Omdat kort na het spreekuur van de verzekeringsarts bleek dat appellant ook psychische klachten had, heeft het Uwv dat besluit ingetrokken en de ZW-uitkering in afwachting van nadere informatie over de psychische klachten voortgezet. Na ontvangst van deze nadere informatie heeft het Uwv de ZW-uitkering per 6 juli 2011 beëindigd. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 8 augustus 2011 nietontvankelijk verklaard.
1.3.
Vanaf 6 juli 2011 heeft appellant weer een WW-uitkering ontvangen. Per 26 juli 2011 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant per die datum een ZW-uitkering toegekend. De ZW-uitkering is per 31 augustus 2011 beëindigd.
1.4.
Vanaf 31 augustus 2011 ontving appellant weer een WW-uitkering. Appellant heeft zich per 5 december 2011 wegens (toegenomen) psychische klachten ziekgemeld. Het Uwv heeft appellant, nadat de WW-uitkering nog 13 weken was doorbetaald, per 5 maart 2012 een ZW-uitkering toegekend. Het Uwv heeft aanvankelijk de ZW-uitkering per 14 december 2012 beëindigd, maar omdat bleek dat bij appellant vanaf 19 december 2012 sprake was van toegenomen rugklachten heeft het Uwv de hersteld melding ingetrokken. Vervolgens heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant per 8 januari 2013 beëindigd. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard. Appellant heeft aansluitend weer een WW-uitkering ontvangen tot 21 februari 2013. Met ingang van 1 april 2013 is appellant gaan werken als chauffeur bij [naam B.V. 2]
1.5.
Op 19 april 2016 heeft appellant een herkeuring aangevraagd bij het Uwv wegens toegenomen lage rugklachten. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij al veel langer last heeft van rugklachten en dat hij al eerder dan per 19 april 2016 recht heeft op een WIAuitkering. Bij besluit van 14 september 2016 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 25 april 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat binnen vijf jaar na 19 januari 2010, het moment waarop hij de wachttijd had doorlopen en hij geen WIAuitkering had gekregen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, geen dag valt aan te wijzen waarop hij als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak tenminste 35% arbeidsongeschikt is.
1.6.
Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv beoordeeld of er sprake was van een toename van de arbeidsongeschiktheid op 12 mei 2010, 1 februari 2011, 19 december 2012 en 8 januari 2013. Daartoe heeft het Uwv de belastbaarheid van appellant op deze data beoordeeld, op basis daarvan per datum functies geduid en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij vier afzonderlijke besluiten van 8 maart 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 12 mei 2010, 1 februari 2011, 19 december 2012 en 8 januari 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de mogelijkheden om te werken op deze data niet minder zijn geworden.
1.7.
Bij besluit van 14 juli 2017 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 14 september 2016 en 8 maart 2017 ongegrond verklaard. Bij besluit van 25 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 14 juli 2017 ingetrokken en de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 14 september 2016 en 8 maart 2017 (opnieuw) ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat de in het besluit van 14 september 2016 genoemde datum 25 april 2016 een misslag betreft en 19 april 2016 moet zijn.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig geweest en is de medische beoordeling volledig en inzichtelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat het Uwv de met de lage rugklachten verband houdende (geobjectiveerde) beperkingen heeft onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen objectieve argumenten voorhanden die het standpunt van appellant onderbouwen dat er meer beperkingen ten aanzien van de belasting van de rug moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij beperkt is wat betreft persoonlijk risico in verband met zijn medicijngebruik. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv op overtuigende wijze uiteengezet waarom er geen aanleiding bestaat om in verband met medicijngebruik van appellant meer of verdergaande beperkingen aan te nemen ten aanzien van persoonlijk risico.
2.2.
Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen was appellant op 12 mei 2010, 1 februari 2011, 19 december 2012 en 8 januari 2013 in staat de bij elke beoordelingsdatum geduide functies te vervullen. Ook de beroepsgronden met betrekking tot het gehanteerde maatmanloon heeft de rechtbank niet laten slagen.
2.3.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv terecht heeft bepaald dat per 19 april 2016 geen recht op een WIA-uitkering bestaat omdat sinds 19 januari 2010 binnen vijf jaar daarna geen dag aan te wijzen is waarop appellant als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak minimaal 35% arbeidsongeschikt is.
2.4.
De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant per 12 mei 2010, 1 februari 2011, 19 december 2012, 8 januari 2013 en 19 april 2016 een WIA-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt, voor zover thans nog van belang, hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit van 25 juli 2017 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omvang van het geding
4.1.
De Raad heeft in zijn brief van 28 augustus 2025 benoemd dat tijdens de zitting van 1 november 2023 is vastgesteld dat nog twee data in geding zijn, namelijk 12 mei 2012 en 1 februari 2011. In die brief zijn als resterende geschilpunten vermeld: het maatmanloon, het CBS-indexcijfer en het gebruik van het medicijn Diazepam door appellant en de mogelijk daaruit voortvloeiende (extra) medische beperkingen. Bij brief van appellant van 10 januari 2026 heeft appellant de beroepsgronden die zien op het maatmanloon en het CBSindexcijfer ingetrokken. Appellant heeft dit ter zitting bevestigd.
Data in geding
4.2.
Appellant heeft in zijn brief 10 januari 2026 betwist dat hij ter zitting van 1 november 2023 de omvang van het geschil heeft beperkt tot twee data, namelijk 12 mei 2010 en 1 februari 2011. Volgens appellant is sprake van een misverstand en blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat appellant het door hem ingebrachte expertiserapport van verzekeringsarts Van Eijk van 15 juli 2021 heeft onderschreven, maar niet dat hij heeft verklaard dat nog slechts twee data in geding zijn. De Raad heeft hierin aanleiding gezien een transcriptie op te stellen van de geluidsopname van het betreffende gedeelte van de zitting van 1 november 2023. Ter zitting van 4 maart 2026 heeft de Raad partijen deze transcriptie overhandigd. Appellant heeft na lezing van deze transcriptie zijn standpunt dat sprake is van een misverstand laten vallen en bevestigd dat nog slechts twee data in geding zijn, namelijk 12 mei 2010 en 1 februari 2011. De Raad zal zich tot deze twee beoordelingsmomenten beperken.
Diazepam
4.3.
In zijn expertiserapport van 15 juli 2021 heeft verzekeringsarts Van Eijk geconcludeerd dat op grond van de aanwezige objectieve gegevens de belastbaarheid van appellant op 12 mei 2010 en 1 februari 2011, zoals verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijsten, onvolledig is, omdat uit de ziekterapportages van 22 juli 2010 en 26 januari 2011 blijkt dat appellant als medicatie onder meer Diazepam gebruikte, dat gebruik van dit medicijn leidt tot rijongeschiktheid en ook van invloed is op het reactievermogen. Daarom had het Uwv ten aanzien van beide data aanvullende beperkingen moeten aannemen op de onderdelen persoonlijk risico (1.9.9) en beroepsmatig autorijden (2.10). Appellant heeft ter zitting van 1 november 2023 verklaard dat hij op beide data in geding incidenteel Diazepam gebruikte. Appellant heeft ook een apotheekoverzicht in geding gebracht, waarin als startdatum voor het gebruik van Diazepam 26 november 2010 wordt vermeld met een dosering van 5 milligram.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft in zijn rapport van 30 januari 2024 verklaard dat hij in alle beschikbare gegevens geen concrete aanwijzingen heeft gevonden voor het gebruik van Diazepam op de beide data in geding. Omdat Diazepam alleen op recept verkrijgbaar is, heeft hij voorgesteld de huisarts van appellant om informatie te vragen. Gebleken is dat de huisartsenpraktijk waarbij appellant tot mei 2013 was ingeschreven, [naam huisartspraktijk 1] in [plaats 1] , geen gegevens meer had over de relevante periode. Uiteindelijk heeft de nieuwe huisarts van appellant, P.P.T Dill van Huisartsenpraktijk [plaats 2] , bij brief van 12 februari 2026 het gebruik van het medicijn Diazepam door appellant toegelicht.
4.5.
Deze huisarts heeft verklaard dat uit het digitale dossier van appellant blijkt dat de vorige huisarts eenmalig op 26 november 2010 veertien stuks Diazepam tabletten voor een of tweemaal daags heeft voorgeschreven. Hij heeft daaraan toegevoegd dat na gebruik van dit medicijn men gedurende 72 uur niet mag autorijden. De (opvolgende) verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft in haar rapport van 26 februari 2026 op basis van deze informatie geconcludeerd dat appellant, ervan uitgaande dat hij het medicijn volgens het recept heeft gebruikt, op 12 mei 2010 nog geen Diazepam gebruikte en op 1 februari 2011 niet meer. Daarom is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om op basis van het gebruik van Diazepam op beide data in geding aanvullende beperkingen aan te nemen.
4.6.
Appellant heeft ter zitting van 4 maart 2026 de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zichzelf niet bestreden, maar verklaard dat appellant het medicijn Diazepam incidenteel gebruikte en ook op 1 februari 2011. Ook heeft hij gewezen op een overgelegd recept van de apotheek waaruit blijkt dat appellant dertig tabletten Diazepam heeft gekregen.
4.7.
Op grond van alle beschikbare gegevens is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat appellant op 12 mei 2010 en/of 1 februari 2021 aanvullende medische beperkingen had vanwege het gebruik van Diazepam. Op 12 mei 2010 gebruikte appellant nog geen Diazepam en, uitgaande van veertien dan wel dertig tabletten Diazepam en een periode van 72 uur na inname gedurende welke men niet mag autorijden, was appellant ook niet op 1 februari 2011 beperkt door gebruik van dit medicijn. De stelling van appellant dat hij Diazepam, in afwijking van het gebruiksvoorschrift, slechts incidenteel gebruikte en ook op 1 februari 2011, heeft hij niet met enigerlei stuk onderbouwd. Daarom gaat de Raad aan die stelling voorbij.
4.8.
Uit wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Schending redelijke termijn
4.9.
De vraag of de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [1] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
4.10.
In deze zaak geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 26 oktober 2016 tot aan de uitspraak in hoger beroep negen jaar en (afgerond naar boven) vijf maanden zijn verstreken. De Raad ziet aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. Op 18 november 2021 heeft appellant verzocht om uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting op 9 februari 2022 wegens zwangerschapsverlof van zijn gemachtigde. Nadat de zaak was geagendeerd voor de zitting van 2 juni 2022 heeft appellant opnieuw verzocht om uitstel van de zitting, wegens ziekte van zijn gemachtigde. Vervolgens is de zaak geagendeerd voor de zitting van 13 oktober 2022 en heeft appellant wederom verzocht om uitstel wegens ziekte van zijn gemachtigde. Nadat de vervanger van de gemachtigde van appellant had verklaard dat de zaak alsnog op een zitting kon worden behandeld, heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden op 1 november 2023. De Raad ziet hierin aanleiding om in deze zaak de redelijke termijn te verlengen met twee jaar. Nadat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 31 januari 2024 had voorgesteld om bij de huisarts van appellant de ontbrekende specifieke informatie over het gebruik van Diazepam na te vragen en gebleken was dat het Uwv alleen beschikte over de contactgegevens van de vorige huisarts, heeft appellant, ondanks diverse rappels, het Uwv niet de contactgegevens van zijn (huidige) huisarts verstrekt. Uiteindelijk heeft het Uwv op 15 januari 2026 zelf contact opgenomen met de (vorige) huisarts van appellant om deze contactgegevens te kunnen krijgen en deze informatie op 12 februari 2026 van de huidige huisarts van appellant ontvangen. De Raad ziet hierin aanleiding om in deze zaak de redelijke termijn verder te verlengen met twee jaar. Dit betekent dat in dit geval de redelijke termijn acht jaar bedraagt. De redelijke termijn is in dit geval dus met één jaar en (afgerond naar boven) vijf maanden overschreden. Dit betekent dat appellant in aanmerking komt voor een schadevergoeding van € 1.500,-.
4.11.
Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [2] Het Uwv wordt veroordeeld tot een vergoeding van een bedrag van € 264,71- (3/17 van € 1.500,-) en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 1.235,29,- (14/17 van € 1.500,-).
4.12.
Aanleiding bestaat het Uwv en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5), door de Staat en het Uwv elk voor de helft te betalen, dus ieder € 233,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 264,71;
- veroordeelt de Staat der Nederlandsen (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.235,29;
- veroordeelt het Uwv en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant, ieder tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M.G.J. van Eck

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
2.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.