ECLI:NL:CRVB:2026:357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen per 23 mei 2022, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellante niet geschikt is voor haar laatste werk, maar wel voor andere functies, waardoor zij niet aan het vereiste arbeidsongeschiktheidspercentage voldoet.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook aanvullende informatie van de huisarts en hulpinstanties is betrokken. De beperkingen van appellante zijn niet onderschat en de geselecteerde functies zijn passend.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen groter zijn dan vastgesteld, onder meer vanwege psychische klachten, huidproblemen en haar thuissituatie. De Raad overweegt echter dat de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende gemotiveerd is, dat de behandeling nog niet was afgerond en dat de diagnose op zichzelf niet bepalend is voor het vaststellen van beperkingen.
De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft besloten geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.