ECLI:NL:CRVB:2026:363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd tot kennisneming hoger beroep tegen uitspraak rechtbank
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2026, waarin op verzet tegen een eerdere uitspraak werd beslist. De aangevallen uitspraak betreft een beslissing als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, Awb, tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. Er is geen reden om dit appèlverbod buiten toepassing te laten.
Daarom verklaart de Raad zich kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het zonder verder onderzoek af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in aanwezigheid van griffier A. Giesen op 1 april 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd en wijst het hoger beroep af wegens het appèlverbod in artikel 8:55 lid 7 Awb.