Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:367

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/856 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd

Appellante ontving een Ziektewetuitkering die het UWV per 26 juni 2023 beëindigde op grond van een medisch oordeel dat zij geschikt was voor haar laatste werk als productiemedewerker. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische beoordeling juist was.

Appellante stelde in hoger beroep dat zij door haar beperkingen niet in staat was haar werk te verrichten en verzocht om een nieuw, onafhankelijk medisch en psychisch onderzoek. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe medische stukken had overgelegd die aanleiding geven tot twijfel over het eerdere oordeel van het UWV.

De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen, waarmee de beëindiging van de ZW-uitkering in stand bleef en appellante geen proceskostenvergoeding kreeg.

Uitkomst: De beëindiging van de Ziektewetuitkering per 26 juni 2023 wordt bevestigd na een zorgvuldig medisch onderzoek.

Uitspraak

25/856 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/856 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2025, 23/7857 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 april 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de uitkering die appellante ontving op grond van de ZW per 26 juni 2023 terecht heeft beëindigd. Appellante vindt dat zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat was haar eigen werk te verrichten, zodat zij onveranderd recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 februari 2026. Appellante is verschenen, vergezeld door [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker voor 24 uur per week. Haar dienstverband is op 28 februari 2023 geëindigd. Op 2 mei 2023 heeft zij zich ziekgemeld met hoge koorts, buikgriep en verminderde weerstand. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 21 juni 2023 heeft zij het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellante per 26 juni 2023 geschikt geacht voor haar laatste werk. Met het besluit van 22 juni 2023 (primair besluit) heeft het Uwv de ZW-uitkering per die datum beëindigd.
1.2.
Bij besluit van 25 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen reden is om af te wijken van het primaire oordeel dat appellante geschikt wordt geacht voor de maatgevende arbeid, te weten haar werk als productiemedewerker.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapporten van de (verzekerings)artsen blijkt dat zij haar beiden op het spreekuur hebben gezien, dat de primaire arts appellante lichamelijk heeft onderzocht en dat de door appellante meegebrachte medische informatie bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank is niet gebleken dat de (verzekerings)artsen onvoldoende op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom een lichamelijk onderzoek geen toegevoegde waarde heeft voor de beantwoording van de vraag of er medische argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire arts. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de bevindingen en de conclusie van de (verzekerings)artsen van het Uwv. Zij hebben volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom zij van oordeel zijn dat appellante per 26 juni 2023 geschikt is om haar eigen arbeid te verrichten. Appellante heeft haar standpunt dat zij meer beperkt is dan door de (verzekerings)artsen is aangenomen niet met medisch objectiveerbare informatie, bijvoorbeeld andersluidende informatie van behandelaars, onderbouwd.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en verzoekt om een nieuw en volledig medisch en psychisch onderzoek door een onafhankelijke arts om haar actuele gezondheidssituatie in kaart te brengen. Volgens appellante is het niet gerechtvaardigd om haar op basis van verouderde informatie geschikt te verklaren voor haar eigen arbeid.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de ZWuitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. In hoger beroep heeft appellante, net als in beroep, geen medische stukken ingediend die leiden tot een ander oordeel.
4.3.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S.P.A. Elzer