Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:382

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/2333 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 15 PWArt. 16 lid 1 PWArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening en schadevergoeding bij bijzondere bijstand fysiotherapie

De zaak betreft een verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 december 2019, waarin de afwijzing van twee aanvragen om bijzondere bijstand voor fysiotherapiekosten werd bevestigd. De oorspronkelijke afwijzing was gebaseerd op het bestaan van een voorliggende voorziening.

De Raad benadrukt dat herziening slechts mogelijk is op grond van feiten en omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, die de verzoeker niet kende en ook niet had kunnen kennen, en die bij bekendheid tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Verzoeker heeft geen dergelijke nieuwe feiten gesteld.

Verzoeker voerde onder meer aan dat geen sprake was van een voorliggende voorziening, dat er dringende redenen waren, en dat de besluitvorming in strijd was met diverse artikelen van de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en internationale verdragen. De Raad oordeelt dat deze argumenten een hernieuwde discussie betreffen die niet past binnen het bijzondere rechtsmiddel van herziening.

Het verzoek om herziening en het verzoek om schadevergoeding worden daarom afgewezen. De eerdere uitspraak blijft in stand, en verzoeker krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het verzoek om herziening en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen; de eerdere afwijzing van bijzondere bijstand blijft in stand.

Uitspraak

23/2333 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 december 2019, 17/7878 PW-PV en het verzoek tot veroordeling van vergoeding van schade
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (college)
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Zitting heeft: P.W. van Straalen, als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: B.F.C. Wiedenhof
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Ter zitting is geen van partijen verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening en het verzoek om schadevergoeding af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak allereerst om een verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad van 3 december 2019. Met die uitspraak heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2017 bevestigd. Het ging daarbij over de afwijzing van twee aanvragen om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW), voor de kosten van fysiotherapie. Die aanvragen waren afgewezen omdat sprake was van een voorliggende voorziening. Met de uitspraak van de Raad van 3 december 2019 zijn de beide afwijzingen in stand gebleven.
De Raad stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is bedoeld om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De herziening van een uitspraak op grond van dit artikel is alleen mogelijk op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
c. tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest.
Herziening kan dus alleen plaatsvinden als er feiten en omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, die verzoeker niet bekend waren en ook niet bekend konden zijn en – als ze voor de uitspraak wel bekend zouden zijn geweest – tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden.
Verzoeker heeft dergelijke feiten niet gesteld. Wat hij heeft aangevoerd komt er op neer dat volgens verzoeker geen sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van Pro de PW, er dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, de besluitvorming in strijd met de artikelen 3:2, 3:46 en 4:84 van de Awb tot stand is gekomen en de besluitvorming in strijd is met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 7 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Verzoeker wil in feite op basis van al bekende gegevens een niet bij het rechtsmiddel van herziening passende hernieuwde discussie over zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank voeren. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het middel van herziening daartoe niet kan strekken. Het verzoek om herziening wordt daarom afgewezen.
Verzoeker heeft tevens verzocht om een passende schadevergoeding toe te kennen. Dat verzoek wordt alleen al afgewezen omdat geen onrechtmatig besluit valt aan te wijzen.

Conclusie en gevolgen

Het verzoek om herziening en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade worden afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad niet wordt herzien en de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand in stand blijven en ook dat verzoeker geen schadevergoeding krijgt.
Verzoeker krijgt daarom ook geen vergoeding voor zijn proceskosten en krijgt het betaalde griffierecht niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B.F.C. Wiedenhof (getekend) P.W. van Straalen