Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:391

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
23/1517 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 8:57 AwbArt. 8:64 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

WIA-uitkering ten onrechte verlaagd wegens onderschatting medische beperkingen

Appellant, voormalig generalist bij de Nationale Politie, meldde zich ziek in juli 2017 en ontving een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van circa 61%. Het UWV verlaagde later de uitkering op grond van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, vastgesteld op circa 50%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij meer beperkingen had dan het UWV aannam.

De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV deels en beval een nieuw medisch onderzoek. In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat er onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische klachten, waaronder PTSS en concentratieproblemen. De Raad benoemde twee onafhankelijke deskundigen, een psychiater en een verzekeringsarts, die concludeerden dat appellant meer beperkingen had dan in de eerdere FML waren opgenomen.

De Raad volgde deze deskundigen en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 september 2021 vast op 77,3%, aanzienlijk hoger dan het UWV had aangenomen. De inkomenseis werd vastgesteld op 50% van een resterende verdiencapaciteit van € 1.243,88 per maand. Het besluit van het UWV werd vernietigd voor zover het de mate van arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit betrof. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 77,3% en vernietigt het besluit van het UWV dat de WIA-uitkering verlaagde.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/1517 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2023, 22/1869 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering heeft verlaagd. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en overeenkomstig de vaststelling van het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 september 2021 bepalen op 77,3% en de inkomenseis per die datum vaststellen op 50% van de resterende verdiencapaciteit van € 1.243,88 per maand.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Mr. C. Steijgerwalt heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 februari 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Steijgerwalt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.
Ter zitting heeft de Raad het onderzoek geschorst en dr. J.J.D. Tilanus, psychiater, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 30 juli 2024 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport gegeven.
De Raad heeft vervolgens M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. Zij heeft op 11 september 2025 een rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze gegeven op dit deskundigenrapport.
Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb is gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als generalist GGP ( [functie] ) bij de Nationale Politie voor 39,35 uur per week. Op 31 juli 2017 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 september 2019. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 61,30%. Het Uwv heeft bij besluit van 10 oktober 2019 aan appellant met ingang van 18 september 2019 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 23 juni 2021 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat de loongerelateerde uitkering de maximumduur bereikt en dat appellant per 18 september 2021 in aanmerking komt voor een WGA-vervolguitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
1.3.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft alsnog een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft op 15 september 2021 gerapporteerd en een FML opgesteld waarin de beperkingen van appellant zijn neergelegd. De arbeidsdeskundige heeft op basis van deze FML geconcludeerd dat appellant niet geschikt is voor zijn laatste werk, functies geselecteerd die hij nog zou kunnen vervullen met inachtneming van de voor hem geldende medische beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 57,01%. Deze uitkomst heeft het Uwv kenbaar gemaakt met een voornemen van 21 oktober 2021 tot wijziging van de beslissing. Tegen dit voornemen heeft appellant bezwaren ingediend.
1.4.
Naar aanleiding van deze bezwaren heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een van de functies laten vervallen, nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 49,65%. Bij besluit van 10 maart 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv bepaald dat appellant per 18 september 2021 recht heeft op een vervolguitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft op 23 december 2022 tussenuitspraak gedaan. Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit ten onrechte geen uitlooptermijn van twee maanden in acht heeft genomen. Het Uwv dient daarom een nieuw medisch onderzoek te verrichten waarbij als datum in geding 11 mei 2022 wordt aangehouden. Het Uwv is in de gelegenheid gesteld de gebreken in de besluitvorming te herstellen. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven met uitzondering van de in het bestreden besluit genoemde ingangsdatum van 18 september 2021 van de verlaging van de WIA-uitkering en bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht vergoedt en is het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 januari 2023 en 6 maart 2023 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 februari 2023 toereikend heeft onderbouwd dat appellant geen aanvullende beperkingen heeft op 11 mei 2022 en ook per deze datum arbeidsongeschikt is naar een mate van 45-55%. Hiermee heeft de rechtbank het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld geacht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest en dat hij meer beperkt was dan het Uwv in de FML van 15 september 2021 heeft aangenomen. Ten onrechte is geen informatie opgevraagd bij de psycholoog van appellant, terwijl het de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan deskundigheid op psychiatrisch vlak ontbreekt. Verder is sprake van vooringenomenheid omdat verzekeringsarts bezwaar en beroep A. Kol in de primaire fase de FML van 5 september 2019 heeft vastgesteld. Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat hij ten tijde van de datum in geding kampte met concentratieproblemen, angststoornissen, prikkelbaarheid en snel afgeleid zijn, paniekaanvallen in een gesloten (drukke) ruimte en slaapproblemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een psychiatrische expertise van psychiater drs. J.K. van der Veer overgelegd. Hieruit volgt volgens appellant een totaal onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij naast psychische klachten ook klachten heeft aan pols, handen en rug. Omdat de mogelijkheden van appellant niet juist zijn verwoord in de FML van 15 september 2021 wordt met de voor hem geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschreden.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. Appellant handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat hij meer beperkt is dan het Uwv in de FML van 15 september 2021 heeft aangenomen en dat hij op 18 september 2021 meer arbeidsongeschikt is dan het Uwv heeft vastgesteld. Gelet hierop wordt het hoger beroep niet alleen gericht geacht tegen de aangevallen uitspraak maar ook tegen de in 2 genoemde tussenuitspraak. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
Gelet op bij de Raad op grond van de voorliggende medische informatie bestaande twijfel over de juistheid van het standpunt van het Uwv over de medische situatie van appellant en van de FML van 15 september 2021, heeft de Raad het noodzakelijk geacht te worden geadviseerd door psychiater Tilanus en verzekeringsarts Wolff-van der Ven als deskundigen. Psychiater Tilanus heeft na onderzoek vastgesteld dat bij appellant sprake was van een posttraumatische-stressstoornis (PTSS), inmiddels met een chronisch beloop en met nog terugkerende herbelevingen en flashbacks. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellant meer beperkingen had dan in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML van 15 september 2021 zijn opgenomen. Hij heeft op het vakgebied van de psychiatrie ook stoornissen van de aandachtsfuncties en van het concentratievermogen geconstateerd. Het werkgeheugen van appellant kan daarnaast negatief worden beïnvloed door affectieve ontregelingen. Op het vakgebied van de psychiatrie wordt verder als zeer aannemelijk ingeschat dat er bij appellant in de periode in geding ook sprake was van executieve functiestoornissen. Er zijn aanzienlijke beperkingen voor emotionele belasting. Dat geldt zowel voor het uiten en reguleren van de eigen emoties, maar ook voor wat betreft het omgaan met gevoelens of emoties van anderen, met name met een negatieve of emotionele lading. Appellant is minder goed in staat om zichzelf in een sociale context te handhaven (vooral in een voor hem onbekende omgeving) en hij kan niet meer goed verblijven in een voor hem onbekende omgeving met onverwachte momenten, situaties of geluiden. Vanuit het vakgebied van de psychiatrie heeft Tilanus nog aanbevolen dat er zo goed mogelijk rekening wordt gehouden met de gevolgen van een verminderde nachtrust door PTSSsymptomatologie en de snelle mentale overbelasting door herbelevingen, negatieve cognities en intrusies.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deskundige Tilanus deels gevolgd in zijn conclusies. Hij heeft deze vastgelegd in een FML van 16 augustus 2024 maar hij heeft in het rapport van Tilanus geen aanleiding gezien om het eerder ingenomen standpunt voor de duurbelastbaarheid te wijzigen. Gelet op vorenstaande en op de zienswijze van appellant heeft de Raad verzekeringsarts Wolff-van der Ven benoemd als deskundige. Na onderzoek tijdens een spreekuur heeft Wolff-van der Ven vastgesteld dat de FML van 16 augustus 2024 nog wijziging of aanvulling behoeft op de beoordelingspunten vasthouden van aandacht in het dagelijks functioneren (1.1), specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid (1.8), samenwerken (2.9), specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid (2.12), (uren per dag) 6.2 en (uren per week) 6.3. Wolffvan der Ven heeft toegelicht dat er ook sprake is van een in enige mate verminderde energetische belastbaarheid door een verminderd vermogen tot recupereren in de nacht en een verhoogde energieconsumptie door de snel oplopende (interne) spanningen bij betrokkene en het reguleren daarvan. Het oplopen van spanningen kan niet volledig voorkomen worden, deze worden overigens ook niet alleen veroorzaakt door externe prikkels maar ook door de eigen gedachten en gevoelens. Bij belasting in arbeid dient voorts rekening gehouden te worden met meer oplopende spanningen bij betrokkene dan in de thuissituatie, waar triggers niet volledig vermeden kunnen worden en deze buitenshuis meer aan de orde zullen zijn dan in de eigen, vertrouwde omgeving, alleen al als gevolg van de noodzakelijke reistijd van en naar het werk.
5.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rapporten van de deskundigen geven blijk van een zorgvuldig onderzoek, zijn inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komen de Raad overtuigend voor. Deskundige Tilanus heeft appellant poliklinisch onderzocht op 26 juni 2024 en deskundige Wolff-van der Ven heeft appellant op 21 augustus 2025 op het spreekuur gezien. Beiden deskundigen hebben dossieronderzoek verricht. De informatie van de behandelend sector en de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn door de deskundigen kenbaar bij het onderzoek betrokken. Er is geen aanleiding de rapporten en de hierin getrokken conclusies van de deskundigen niet te volgen.
5.5.
Wat het Uwv hiertegenover heeft gesteld geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan zich niet vinden in de bevindingen van Wolff-van der Ven maar heeft wel een nieuwe FML opgesteld van 17 oktober 2025 in lijn met het rapport van Wolff-van der Ven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op grond van deze aangepaste FML nieuwe functies geselecteerd en per 18 september 2021 een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 77,3%.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt. De tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak moeten worden vernietigd, behoudens de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit van appellant per 18 september 2021 is vastgesteld op 49,65% en € 2.759,29 per maand, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 september 2021 te bepalen op 77,3%, en de inkomenseis per die datum vast te stellen op 50% van de resterende verdiencapaciteit van € 1.243,88 per maand.
6. Uit het voorgaande volgt dat aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten worden begroot op € 2.802,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, twee keer 0,5 punt voor de zienswijze, met een waarde van € 934,- per punt). Appellant heeft een nota ingediend van psychiater drs. Van der Veer van € 5.798,93,- (inclusief omzetbelasting). Het Uwv moet ook deze door appellant gemaakte kosten vergoeden. Het totaalbedrag van proceskosten bedraagt € 8.600,93. Verder dient het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak, behoudens de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 maart 2022 voor zover daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit van appellant per 18 september 2021 is vastgesteld op 49,65% en € 2.759,29 per maand;
- stelt de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 september 2021 vast op 77,3% en de inkomenseis per die datum op 50% van de resterende verdiencapaciteit van € 1.243,88 per maand en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 8.600,93;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.

(getekend) S.B. Smit-Colenbrander

(getekend) M.G.J. van Eck