Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:399

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/2079 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbArt. 4:8 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens onduidelijke woon- en financiële situatie

Appellant en zijn partner ontvingen sinds 2010 bijstand, die in 2021 werd beëindigd. Zij dienden in januari 2022 een nieuwe aanvraag in, waarbij bleek dat meer personen in de woning verbleven dan opgegeven. Na een tweede aanvraag in juni 2022 vroeg het college om financiële informatie, waarop appellant en zijn partner bankafschriften en verklaringen over leningen en contante steun overlegden.

Huisbezoeken in april en juli 2022 toonden afwijkingen in de woon- en leefsituatie. Het college wees de aanvraag af wegens onduidelijkheid over wie in de woning woont en onvoldoende duidelijkheid over de financiële situatie, met name over de herkomst van inkomsten en de dekking van vaste lasten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel duidelijkheid had gegeven over zijn woon- en leefsituatie, maar reageerde niet op de regiebrief waarin werd gewezen op de onduidelijke financiële situatie. De Raad concludeerde dat deze onduidelijke financiële situatie voldoende grond is voor afwijzing en bevestigde het bestreden besluit.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt bevestigd vanwege onduidelijke woon- en financiële situatie.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2079 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
25 juli 2024, 23/4679 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college)
Datum uitspraak: 31 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het college heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat de woon- en leefsituatie en de financiële situatie van appellant en zijn partner onduidelijk zijn gebleven, als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet kan vaststellen. De Raad komt tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen in een brief van 14 januari 2026 (regiebrief) laten weten hoe hij het geschil voorshands ziet, dat hij op grond van het dossier een zitting niet nodig vindt en hen gewezen op hun recht om te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard gebruik te willen maken van dat recht. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant en zijn partner, X, ontvingen vanaf 19 augustus 2010 bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft de bijstand op verzoek van appellant en X met ingang van 15 oktober 2021 beëindigd. Vervolgens hebben appellant en X op 19 januari 2022 een aanvraag om bijstand op grond van de PW ingediend. Bij de aanvraag hebben zij vermeld dat zij samen op het opgegeven adres wonen.
1.2.
In het kader van de aanvraag van 19 januari 2022 hebben twee medewerkers van de afdeling Handhaving en Fraude van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (afdeling Handhaving) op 22 april 2022 een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. Tijdens dat huisbezoek bleek dat er meer personen in de woning verbleven dan volgens de aanvraag van appellant en X het geval was. Ook een zoon, diens partner en hun twee kinderen verbleven ten tijde van het huisbezoek in de woning. De bevindingen van het huisbezoek hebben geleid tot de afwijzing van de aanvraag van 19 januari 2022. Appellant en X hebben tegen deze afwijzing geen rechtsmiddelen tegen aangewend.
1.3.
Appellant en X hebben 2 juni 2022 opnieuw een aanvraag om bijstand op grond van de PW ingediend. Bij deze aanvraag hebben zij vermeld dat zij met thuiswonende kinderen op het opgegeven adres wonen.
1.4.
Met een brief van 7 juni 2022 heeft het college aan appellant en X verzocht om informatie te verschaffen over vooral hun financiële situatie. Appellant en X hebben bankafschriften ingeleverd van hun betaalrekeningen over de periode van 20 januari 2022 tot en met 7 juni 2022, afschriften van openstaande schulden aan onder meer een zorgverzekeraar en een provider, en een brief waarin zij verklaren dat zij sinds de beëindiging van de bijstand geleefd hebben van geld en leningen van hun kinderen, vrienden en buren.
1.5.
Op 5 juli 2022 hebben medewerkers van de afdeling Handhaving een huisbezoek afgelegd aan de woning op het opgegeven adres. Tijdens dat huisbezoek is geconstateerd dat ook nu de in 1.2 genoemde zoon met zijn partner en kinderen in de woning verbleven. Appellant was tijdens het huisbezoek niet aanwezig. X heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat appellant vanwege ziekte in [provincie] verbleef. Om diezelfde reden was appellant eerder ook niet op een gesprek op 26 april 2022 verschenen.
1.6.
De onderzoeksresultaten zijn vastgelegd in een rapport van 12 juli 2022.
1.7.
Met een besluit van 18 juli 2022, zoals na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 1 mei 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van 2 juni 2022 afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de woon- leefsituatie van appellant en X onduidelijk is en ook dat appellant en X onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven over hun financiële situatie, zodat het college het recht op bijstand niet kan vaststellen. Zo is onduidelijk wie er op het opgegeven adres woonachtig zijn. Ook is onduidelijk waarvan appellant en X hebben geleefd sinds de beëindiging van de bijstand per 15 oktober 2021. Uit de bankafschriften volgt dat appellant en X vaste lasten hebben betaald, maar op de bankafschriften zijn geen inkomsten zichtbaar, anders dan de zorg- en huurtoeslag en een aantal bijschrijvingen. Die zichtbare inkomsten bedragen samen over een periode van drie maanden een bedrag van € 1.746,-. Dat is afgezet tegen een bijstandsnorm van € 1.598,58 per maand onvoldoende om te voorzien in de vaste lasten en het levensonderhoud. Appellant en X stellen dat zij geld hebben geleend en ook contanten hebben ontvangen, maar zij hebben niet duidelijk gemaakt wie hen heeft ondersteund.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat het college op basis van de onderzoeksbevindingen terecht heeft geconcludeerd dat appellant en X onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven over hun financiële situatie. Niet helder is waarvan zij hebben geleefd in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. Appellant en X hebben hun verklaring dat zij geld hebben geleend van vrienden en buren niet onderbouwd. Daarnaast ontvingen zij naar eigen zeggen ook contant geld. Gelet hierop is onduidelijk gebleven hoe zij hebben voorzien in hun kosten van levensonderhoud. Het college heeft ook terecht geconcludeerd dat de woon- en leefsituatie van appellant en X onduidelijk is gebleven. Bij het huisbezoek van 5 juli 2022 week de feitelijke situatie in de woning af van de opgegeven situatie bij de aanvraag. Dat was ook het geval bij een eerder huisbezoek van 22 april 2022. Appellant en X hebben over hun woon- en leefsituatie onvoldoende duidelijkheid gegeven. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat en waarom hij wel duidelijkheid heeft gegeven over zijn woon- en leefsituatie.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
In de regiebrief heeft de Raad appellant voorgehouden dat de te beoordelen gronden alleen zien op de woon- en leefsituatie en dat de grondslag van de bestreden besluitvorming ook ziet op een onduidelijke financiële situatie. Appellant heeft geen aanleiding gezien om te reageren op de regiebrief. Dit betekent dat appellant geen gronden heeft geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de financiële situatie onduidelijk is gebleven. Alleen die onduidelijke financiële situatie is al voldoende draagkrachtig voor de afwijzing van de aanvraag. Wat appellant heeft aangevoerd over zijn woon- en leefsituatie hoeft gelet daarop niet te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls