ECLI:NL:CRVB:2026:400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending medewerkingsverplichting bij huisbezoek
Appellant diende een bijstandsaanvraag in waarbij hij verklaarde alleenstaand te zijn en met één kind bij zijn ouders te wonen. Uit huisbezoeken bleek echter dat zijn partner en kinderen ook in de woning verbleven, wat niet overeenkwam met zijn opgave. Na afwijzing van de eerste aanvraag diende appellant een nieuwe aanvraag in zonder wijziging in woonsituatie aan te geven.
Het college wilde de woonsituatie verifiëren via een huisbezoek, waarvoor appellant aanvankelijk toestemming gaf maar later weigerde mee te werken toen bleek dat zijn partner en kinderen aanwezig waren. Het college wees de aanvraag af wegens schending van de medewerkingsverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek en dat zijn medische situatie de weigering rechtvaardigde. De Raad oordeelde dat het college terecht twijfelde aan de juistheid van de opgave en dat het huisbezoek noodzakelijk was. De medische situatie werd onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens schending van de medewerkingsverplichting wordt bevestigd.