Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:425

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/958 BABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 BABWArt. 1 Regeling gehandicaptenparkeerkaart
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag gehandicaptenparkeerkaart wegens onvoldoende loopbeperking

Appellante diende op 23 november 2023 een aanvraag in voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een bestuurder bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Het college liet een arts van Argonaut de medische situatie onderzoeken, die concludeerde dat appellante in redelijkheid zelfstandig, met gebruik van loophulpmiddelen, meer dan 100 meter kan lopen. Op basis hiervan wees het college de aanvraag op 10 januari 2024 af.

Appellante maakte bezwaar, maar het college handhaafde de afwijzing bij besluit van 28 mei 2024. Tijdens de beroepsprocedure werd aanvullend medisch advies ingewonnen bij JPH Consult, dat eveneens concludeerde dat appellante niet medisch objectief is beperkt tot minder dan 100 meter lopen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.

In hoger beroep betoogde appellante dat de loopobservatie onvoldoende was, maar de Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het medisch advies. De Raad oordeelde dat appellante geen medisch geobjectiveerde ernstige loopbeperking heeft en dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart wordt afgewezen omdat appellante zelfstandig meer dan 100 meter kan lopen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/958 BABW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 april 2025, 24/4871 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht (college)
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het college de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat het college de afwijzing mocht baseren op de medische adviezen die in bezwaar en beroep zijn uitgebracht.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Voor appellante is mr. Koudijs verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft bij het college op 23 november 2023 een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) voor een bestuurder.
1.2.
Op verzoek van het college heeft een arts van Argonaut de medische situatie van appellante onderzocht en medisch advies uitgebracht. Op basis van de onderzoeksbevindingen concludeert deze arts in zijn rapport van 5 januari 2024 dat appellante in alle redelijkheid in staat wordt geacht om onbelast en met gebruikmaking van een loophulpmiddel meer dan 100 meter aaneengesloten te lopen. Volgens de arts kan niet worden vastgesteld dat appellante niet meer dan 100 meter kan lopen als gevolg van medische problematiek. Er zijn geen contra-indicaties voor het lopen van langere afstanden.
1.3.
Bij besluit van 10 januari 2024 heeft het college, met verwijzing naar het medisch advies, de aanvraag van appellante voor een GPK afgewezen. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij besluit van 28 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, omdat uit de medische beoordeling is gebleken dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een GPK.
1.5.
Het college heeft appellante ná het bestreden besluit in de gelegenheid gesteld om medische stukken in te dienen. Nadat appellante de medische stukken had ingediend, zijn deze voorgelegd aan een arts van JPH Consult voor nader medisch advies. Dit medische advies van JPH Consult is tijdens de beroepsprocedure opgesteld en heeft niet geleid tot een ander besluit. De arts van JPH Consult heeft geconcludeerd dat, hoewel sprake is van een verminderde loopafstand, niet kan worden vastgesteld dat appellante als gevolg van medische problematiek in redelijkheid niet meer dan 100 meter kan lopen. Appellante is adequaat behandeld voor aandoeningen binnen het luchtwegstelsel en het bewegingsapparaat. In de medische documentatie zijn geen restklachten gebleken in de vorm van inspanningsgebonden kortademigheid. Ook is er geen indicatie dat fysieke inspanning anders dan tillen of verkeren onder druk, gecontra-indiceerd is. De vermoeidheidsklachten zijn volgens de arts medisch objectief onvoldoende verklaarbaar, anders dan door, ook door het medisch dossier onderbouwd, deconditioneren.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe is het volgende overwogen. Het college heeft het bestreden besluit mogen baseren op het medisch advies van Argonaut. Ook heeft het college mogen concluderen dat het medisch advies van JPH Consult geen aanleiding geeft om het bestreden besluit te herzien. Het rapport van JPH Consult is zorgvuldig tot stand gekomen. De opstellend arts van dat bureau heeft zijn medisch advies gebaseerd op tijdens een spreekuur verricht anamnestisch onderzoek, waarbij appellante is geobserveerd tijdens het lopen van 100 meter afstand. Daarnaast heeft de arts zich gebaseerd op de medische stukken. Volgens het medisch advies van JPH Consult kan niet worden vastgesteld dat appellante onbelast en met eventuele gebruikelijke voorliggende loophulpmiddelen in redelijkheid, als gevolg van medische problematiek, geen 100 meter of meer kan afleggen. De opmerking dat appellante een rollator niet mag tillen, doet niet af aan de conclusie in het rapport dat zij met eventuele loophulpmiddelen 100 meter af moet kunnen leggen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college de aanvraag van appellante in 2023 voor een GPK op goede gronden heeft afgewezen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college zich mocht baseren op de medische adviezen en neemt de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd over. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.
4.2.
In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de onderzoeksbevindingen en medische adviezen van de artsen. Gelet op de medische adviezen wordt appellante in staat geacht om zelfstandig, eventueel met gebruik van hulpmiddelen, een afstand van meer dan 100 meter te lopen. Van een medisch geobjectiveerde ernstige loopbeperking, op grond waarvan appellante die afstand niet zou kunnen lopen, is niet gebleken. Wat appellante heeft aangevoerd over de uitgevoerde loopobservatie van de arts van JPH Consult treft ook geen doel, nu de bevindingen van de arts niet alleen gestoeld zijn op de loopobservatie maar ook op ander onderzoek, waarbij alle medische stukken zijn betrokken. De arts heeft in zijn medisch advies gemotiveerd onderbouwd waarom niet kan worden vastgesteld dat appellante als gevolg van medische problematiek in redelijkheid niet meer dan 100 meter kan lopen. De enkele omstandigheid dat appellante tijdens de looptest binnen de 100 meter heeft aangegeven te moeten stoppen vanwege vermoeidheid, doet hier niet aan af.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit en daarmee de afwijzing van de aanvraag voor een GPK in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten. Ook krijgt appellante het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
Op grond van artikel 49, eerste lid, van het BABW kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene met een adres is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.
Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling)
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.