Uitspraak
11 september 2025, 23/3670
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
23 maart 2026 is deze opnieuw aan appellante verzonden. Daarbij is erop gewezen dat met de nieuwe toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, maar het ingediende beroepschrift bevatte geen gronden zoals vereist volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft appellante bij brief van 27 januari 2026 en opnieuw bij aangetekende brief van 27 februari 2026 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog de beroepsgronden in te dienen. Deze termijnen zijn ongebruikt voorbijgegaan. De aangetekende brief is op 20 maart 2026 retour gekomen, waarna de Raad de brief opnieuw heeft verzonden zonder dat een nieuwe termijn is gaan lopen. Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim kunnen verontschuldigen.
Gezien het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen van dit verzuim verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins in aanwezigheid van griffier A. Giesen en uitgesproken op 15 april 2026.
Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden en het bestuursorgaan binnen zes weken schriftelijk verzet instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.