ECLI:NL:CRVB:2026:428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2022
Appellant ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering, die in de loop der jaren is herzien. Na een ongeval in 2017 en een ziekmelding, heeft het UWV per 1 maart 2022 de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellant betwist deze vaststelling en stelt dat hij meer beperkingen heeft en de geselecteerde functies niet passend zijn.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten, waarbij zij oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en rekening heeft gehouden met alle relevante medische klachten, waaronder PTSS en traumata. Appellant is het hier niet mee eens en voert hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelt het hoger beroep en concludeert dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het eerdere oordeel kunnen wijzigen. De Raad wijst erop dat het betwisten van de passendheid van functies te laat is ingebracht en daarom niet wordt behandeld. De Raad bevestigt het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de herziening van de WAO-uitkering naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2022 gehandhaafd blijft.
Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht omdat het hoger beroep niet slaagt.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2022 wordt bevestigd.