Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:432

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/694 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening beëindiging WAZ-uitkering per 2006

Appellant ontving van 2003 tot 2006 een WAZ-uitkering die per 22 november 2006 werd beëindigd na medisch en arbeidskundig onderzoek, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Bij een ambtshalve herbeoordeling bleef de intrekking in stand, ondanks een theoretische schatting van 41,03% arbeidsongeschiktheid, omdat praktisch gezien het verlies aan verdiencapaciteit slechts 11,23% bedroeg.

In 2023 diende appellant een verzoek in om terug te komen op het besluit uit 2006, met het argument dat zijn gezondheid sinds 2001 was gewijzigd. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden die herziening rechtvaardigen. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de beoordeling van het UWV zorgvuldig en inhoudelijk juist was, mede gelet op het arbeidskundig rapport van oktober 2023.

Appellant voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, maar de Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. Er waren geen nieuwe feiten die herziening rechtvaardigden en geen bewijs van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 2006. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de beëindiging van de WAZ-uitkering per 2006 in stand blijft en appellant geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de beëindiging van de WAZ-uitkering per 22 november 2006.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/694 WAZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 maart 2025, 23/1786 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het verzoek om terug te komen van een besluit van 2006 over de intrekking van een WAZ-uitkering heeft afgewezen. Volgens appellant is die afwijzing niet terecht en heeft hij recht op betaling van de WAZ-uitkering vanaf een jaar voorafgaand aan de herzieningsaanvraag. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht het herzieningsverzoek heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Voor appellant is zijn echtgenote verschenen, [naam echtgenote] , bijgestaan door mr. Grégoire. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft van 10 maart 2003 tot 22 november 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (WAZ) ontvangen. Per 22 november 2006 is de WAZ-uitkering na een medisch en arbeidskundig onderzoek beëindigd omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt is geacht.
1.2.
Bij gelegenheid van een ambtshalve herbeoordeling in het kader van de hersteloperatie ASB, is de intrekking van de WAZ-uitkering in stand gebleven. Een theoretische schatting leverde voor appellant weliswaar een arbeidsongeschiktheidspercentage op van 41,03%, maar op basis van een praktische schatting (appellant werkte nog steeds in zijn eigen bedrijf) kwam het verlies aan verdiencapaciteit uit op 11,23%.
1.3.
Op 21 juni 2023 heeft het Uwv een formulier “Doorgeven wijziging in uw gezondheid als u een WAZ-uitkering heeft” ontvangen, waarin appellant heeft vermeld dat sprake is van een wijziging van de gezondheid vanaf 2001. Bij besluit van 5 juli 2023 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat documenten op basis waarvan kan worden beoordeeld of er reden is dat wordt teruggekomen van het besluit uit 2006 ontbreken.
1.4.
Bij besluit van 27 juli 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat er nieuwe feiten en omstandigheden moeten worden aangedragen die destijds niet bekend waren om tot herziening over te kunnen gaan. Omdat appellant dergelijke gegevens niet heeft aangedragen, heeft het Uwv besloten dat er geen herbeoordeling plaats kan vinden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, bij een verzoek om terug te komen van een besluit. de voor de (her)beoordeling benodigde gegevens uiterlijk in de bezwaarfase moeten worden overgelegd. Het Uwv heeft de stukken die (eerst) in beroep overgelegd zijn, onverplicht, beoordeeld en vastgesteld dat er geen reden was om terug te komen van de beëindiging van de WAZ-uitkering in 2006, noch dat een toename van beperkingen binnen vijf jaar daarna aan de orde is geweest. De rechtbank heeft de beoordeling door het Uwv zorgvuldig geacht en ook inhoudelijk geen reden gezien om de beoordeling door het Uwv niet te volgen. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 27 juli 2007 blijkt dat rekening is gehouden met de psychische klachten van appellant en dat deze zijn meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst van diezelfde datum. Het neuropsychologisch rapport van 2005 kan niet als een nieuw feit worden aangemerkt omdat, ervan uitgaande dat het Uwv daar in 2007 niet over beschikte, het eerder had kunnen worden ingebracht. Verder is in het arbeidskundig rapport van 16 oktober 2023 toegelicht dat de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid op praktische gronden juist is geweest en de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op minder dan 25%. Appellant heeft aan zijn stelling dat de mate van arbeidsongeschiktheid in de vijf jaren na 22 november 2006 is toegenomen geen stukken ter onderbouwing overgelegd, zodat deze stelling niet slaagt.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. De gronden van appellant zijn in essentie een herhaling van de gronden in beroep.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. Appellant heeft in hoger beroep de eerdere gronden in essentie herhaald. De conclusie van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot die conclusie hebben geleid worden gevolgd. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.1.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven de besluitvorming uit 2006 te herzien. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 oktober 2023 is gebleken dat de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de feitelijke verdiensten van appellant per 22 november 2006 met juistheid is vastgesteld op minder dan 25%. Een eventueel beroep op toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 22 november 2006 slaagt niet, omdat daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten zijn.

Conclusie en gevolgen

5.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering om terug te komen van een beëindiging van de WAZ-uitkering per 22 november 2006 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.