Appellant werkte als magazijnmedewerker en meldde zich in maart 2019 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na beëindiging van het dienstverband kende het UWV hem een Ziektewet-uitkering toe. In het kader van de Wet WIA werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de WIA-uitkering werd geweigerd. Appellant maakte bezwaar en werd geschikt geacht voor meerdere functies met een arbeidsongeschiktheid van circa 14,69%.
In november 2021 meldde appellant zich opnieuw ziek vanwege gewenning aan medicatie. Het UWV beëindigde de ZW-uitkering per 19 januari 2022, omdat appellant volgens verzekeringsartsen geschikt was voor de eerder geselecteerde WIA-functies. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een verzekeringsarts en een onafhankelijke psychiater werden ingeschakeld. De psychiater stelde dat appellant fors beperkt was in persoonlijk functioneren door complexe traumatisering en depressiviteit, maar kon de ernst niet objectief onderbouwen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de beperkingen niet leidden tot ongeschiktheid voor de WIA-functies. De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige en verzekeringsarts, oordeelde dat de medische beperkingen niet waren toegenomen en bevestigde dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.