Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:439

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/609 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 19 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten en verzocht om een WIA-uitkering. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt voor bepaalde functies. Het UWV weigerde daarom de WIA-uitkering per 3 juni 2023 toe te kennen. Tevens werd een Ziektewetuitkering geweigerd per 3 oktober 2023, omdat appellant geschikt werd geacht voor de geselecteerde functies.

De rechtbank heeft deze besluiten bevestigd na zorgvuldige beoordeling van het medisch onderzoek en de arbeidskundige rapporten. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij niet in staat was de functies te vervullen, maar dit werd door de rechtbank en nu ook door de Centrale Raad van Beroep verworpen. De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld.

De Raad wijst erop dat de medische informatie die appellant aanvoert grotendeels al is betrokken bij de beoordeling en dat nieuwe stukken dateren van na de relevante data. Ook de handklachten door een val in 2024 zijn niet relevant voor de beoordeling per 3 oktober 2023. Het verzoek om een deskundige te benoemen wordt afgewezen wegens gebrek aan twijfel over de medische beoordeling.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en verklaart de hoger beroepen ongegrond. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. Hiermee blijft de weigering van de WIA- en Ziektewetuitkering in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor geduide functies.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/609 WIA, 25/1093 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2025, 24/1144 en 8 mei 2025, 24/6197 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv aan appellant per 3 juni 2023 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Daarnaast gaat het over de vraag of het Uwv aan appellant per 3 oktober 2023 terecht geen ZWuitkering heeft toegekend, omdat hij geschikt is voor de in het kader van de WIAbeoordeling geduide functies. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering en ZW-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gümüs. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Veringmeier.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als cafémedewerker voor 37,93 uur per week. Op 5 juni 2021 heeft hij zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 april 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 23 mei 2023 geweigerd appellant met ingang van 3 juni 2023 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 12 december 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Het Uwv heeft appellant vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellant heeft zich op 17 juli 2023 opnieuw ziekgemeld. In verband hiermee heeft hij op 2 oktober 2023 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 17 juli 2023 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies van productiemedewerker industrie (SBCcode 111180), inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 29 februari 2024 geweigerd appellant per 3 oktober 2023 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
1.4.
Bij besluit van 9 juli 2024 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraken van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 februari 2025 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Appellant is zowel door de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch onderzocht. Daarbij hebben zij een compleet beeld van appellants klachten gekregen. De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd verder geen aanleiding gezien te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen over zijn lichamelijke en psychische beperkingen. De door appellant in beroep overgelegde medische informatie geeft geen ander beeld van zijn gezondheidstoestand op de datum in geding, 3 juni 2023. De rechtbank is daarom uitgegaan van de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen. Hiervan uitgaande is er volgens de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van appellant voor de geduide functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de in deze functies voorkomende signaleringen van een toelichting voorzien. Daarmee is in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat appellant de werkzaamheden verbonden aan de functies kan verrichten, ondanks overschrijdingen van de belastbaarheid. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een WIAuitkering toe te kennen per 3 juni 2023, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2.2.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 8 mei 2025 het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee ook dit besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, nu de gegevens verkregen tijdens de hoorzitting en alle beschikbare medische informatie bij de beoordeling zijn betrokken. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen in de medische rapporten duidelijk en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat er in het geval van appellant geen sprake is van een toename van de beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling. In wat appellant in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De klachten en belemmeringen die worden genoemd in de aanvullende medische stukken zijn al meegenomen in de beoordeling van de verzekeringsartsen. Slechts enkele stukken afkomstig uit 2024 zijn niet meegenomen in de beoordeling. Deze stukken zijn echter van ver na de datum in geding en uit de afspraakbevestigingen kunnen geen beperkingen blijken. Uitgaande van de juistheid van de FML is er geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van appellant voor de geduide functies. Met de toelichting van de in deze functies voorkomende signaleringen is in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat appellant de werkzaamheden verbonden aan de functies kan verrichten, ondanks overschrijdingen. Appellant heeft tot slot niet onderbouwd dat bestreden besluit 2 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of één of meerdere andere beginselen van behoorlijk bestuur, zodat de rechtbank hieraan voorbij is gegaan. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 3 oktober 2023 een ZW-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens en heeft daar tegen aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Daarnaast zijn volgens appellant de beperkingen onderschat. Appellant is vanwege zijn psychische klachten, waarvoor hij medicatie gebruikt, niet in staat om te functioneren. Daarnaast heeft hij voortdurend pijnklachten, waardoor hij niet in staat is lang te staan, zitten of lopen. De geringste inspanningen zorgen ervoor dat zijn fysieke klachten fors toenemen. Om die reden zijn ook deze functies niet geschikt voor appellant.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank de bestreden besluiten over de weigering van de WIA-uitkering en ZW-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
25/609 WIA (weigering van de WIA-uitkering per 3 juni 2023)
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
5.3.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten. Appellant heeft ter zitting gewezen op de grote hoeveelheid medische informatie die hij bij de hoorzitting heeft overgelegd. Uit het medisch rapport van 9 november 2023 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep al deze informatie bij de beoordeling heeft betrokken en voor zowel de lichamelijke als de psychische klachten beperkingen heeft aangenomen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor verdergaande beperkingen. Ook de in beroep overgelegde medische informatie is bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft terecht het Uwv gevolgd in het standpunt dat het merendeel van de stukken al eerder is betrokken en dat de overige stukken dateren van na de datum in geding, 3 juni 2023. Deze informatie geeft daarmee geen ander beeld van de medische situatie van appellant op die datum.
25/1093 ZW (weigering van de ZW-uitkering per 3 oktober 2023)
5.4.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.5.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. [1]
5.6.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat geen reden bestaat de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit 2 ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Wat appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Het oordeel van de rechtbank daarover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.7.
Appellant heeft ter zitting gewezen op zijn handklachten, die zijn veroorzaakt door een val. Anders dan appellant heeft gesteld, waren deze klachten wel bij het Uwv bekend. Uit de in beroep overgelegde informatie van de radioloog en orthopedisch chirurg blijkt namelijk dat appellant in april 2024 is gevallen en op zijn hand terecht is gekomen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat deze informatie dateert van na de datum in geding, 3 oktober 2023, en daarmee niet relevant is voor de onderhavige beoordeling. Het Uwv kan hierin worden gevolgd. Ook voor wat betreft de overige lichamelijke en psychische klachten die appellant heeft genoemd, kan het Uwv worden gevolgd in het standpunt dat deze geen aanleiding geven tot verdergaande beperkingen dan al zijn aangenomen.
5.8.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling onbtreekt, wordt het verzoek om een deskundige te benoemen in beide zaken afgewezen. De beroepsgrond dat appellant onvoldoende financiële middelen heeft om zelf een deskundige in te schakelen, behoeft daarom geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

5.9.
De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen en de weigering appellant een ZW-uitkering toe te kennen, in stand blijven.
6. Omdat de hoger beroep niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.