ECLI:NL:CRVB:2026:439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft zich ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten en verzocht om een WIA-uitkering. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt voor bepaalde functies. Het UWV weigerde daarom de WIA-uitkering per 3 juni 2023 toe te kennen. Tevens werd een Ziektewetuitkering geweigerd per 3 oktober 2023, omdat appellant geschikt werd geacht voor de geselecteerde functies.
De rechtbank heeft deze besluiten bevestigd na zorgvuldige beoordeling van het medisch onderzoek en de arbeidskundige rapporten. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij niet in staat was de functies te vervullen, maar dit werd door de rechtbank en nu ook door de Centrale Raad van Beroep verworpen. De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld.
De Raad wijst erop dat de medische informatie die appellant aanvoert grotendeels al is betrokken bij de beoordeling en dat nieuwe stukken dateren van na de relevante data. Ook de handklachten door een val in 2024 zijn niet relevant voor de beoordeling per 3 oktober 2023. Het verzoek om een deskundige te benoemen wordt afgewezen wegens gebrek aan twijfel over de medische beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en verklaart de hoger beroepen ongegrond. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. Hiermee blijft de weigering van de WIA- en Ziektewetuitkering in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA- en Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor geduide functies.