ECLI:NL:CRVB:2026:440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling geschiktheid voor WIA-functies
Appellante was sinds 2016 ziekgemeld en ontving diverse uitkeringen op grond van de Wet WIA, Ziektewet (ZW) en Wet arbeid en zorg (WAZO). Na een herbeoordeling in 2022 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 46,38%. In november 2023 oordeelde een verzekeringsarts dat appellante geschikt was voor drie geselecteerde functies binnen de WIA-beoordeling. Het UWV beëindigde daarop haar ZW-uitkering per 24 november 2023.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij door psychische klachten, waaronder een depressie en angststoornissen, niet in staat was de functies te verrichten. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de medische beoordeling de conclusie ondersteunde dat haar beperkingen niet waren toegenomen. De rechtbank nam daarbij ook kennis van nieuwe diagnoses zoals agorafobie, maar stelde vast dat deze pas na de datum in geding waren ontstaan.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het UWV terecht had geconcludeerd dat appellante geschikt was voor ten minste drie functies met voldoende arbeidsplaatsen en dat haar arbeidsgeschiktheid ten minste 65% bedroeg. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling en verwierp het hoger beroep. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 24 november 2023 wordt bevestigd omdat appellante geschikt is voor ten minste drie WIA-functies zonder toegenomen beperkingen.