Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:447

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/298 ONBEK-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep in sociale zekerheidszaak ongegrond verklaard

Appellante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Raad van 15 augustus 2025, waarin de Raad zich onbevoegd verklaarde omdat het hoger beroep was ingesteld tegen een uitspraak waarop artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

In het verzetschrift stelt appellante dat zij geen inkomen of middelen heeft om in haar dagelijkse behoeften te voorzien, maar zij brengt geen objectief verifieerbare feiten aan die het gerechtvaardigd maken het appelverbod te negeren. De Raad overweegt dat het appelverbod alleen kan worden doorbroken bij evidente schending van goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen zoals het recht op een eerlijk proces.

De Raad concludeert dat appellante geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het appelverbod buiten toepassing doen laten, en verklaart het verzet ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van griffier D. Semiz, op 8 april 2026.

Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de onbevoegdverklaring van haar hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

25/298 ONBEK-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2024, 22/1810 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 8 april 2026

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 15 augustus 2025 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard, omdat appellante hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet op 23 maart 2026 ter zitting behandeld. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

In het verzetschrift van appellante, van 20 september 2025, geeft zij aan dat zij niet over inkomen of middelen beschikt om in haar dagelijkse behoefte te voorzien.
Er worden geen gronden, dan wel objectief verifieerbare gegevens, in geding gebracht welke te kennen zouden geven dat het in dit specifieke geval gerechtvaardigd zou zijn hoger beroep in te stellen tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb.
Dit is uitsluitend het geval wanneer er sprake is van evidente schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het appelverbod buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.W.L. Koopmans, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
(getekend) R.W.L. Koopmans
(getekend) D. Semiz