ECLI:NL:CRVB:2026:45
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening periodieke uitkering wegens Wiedergutmachung met terugvordering te veel betaalde bedragen
Appellante ontvangt sinds 2006 een periodieke uitkering als weduwe van een vervolgde in de zin van de Wuv. In mei 2023 verzocht zij om een nieuwe vaststelling van haar uitkering. Verweerder ontdekte dat appellante inkomsten uit de Wiedergutmachung ontvangt, welke niet eerder waren meegenomen. Daarom werd de uitkering met terugwerkende kracht vanaf november 2018 herzien en werd een bedrag van €46.870,34 teruggevorderd.
Appellante stelde dat de Wiedergutmachung een schadevergoeding is en geen inkomensvervangend karakter heeft, en dat daarom een ander regime zou moeten gelden. De Raad oordeelde dat de Wiedergutmachung volgens vaste rechtspraak een overwegend inkomensvervangend karakter heeft en als overige inkomsten op de uitkering in mindering moet worden gebracht. Het feit dat appellante als kind de schade opliep doet hieraan niet af.
Verder wees de Raad het beroep op het evenredigheidsbeginsel af omdat appellante onvoldoende onderbouwing gaf voor de stelling dat de terugvordering onevenredige financiële gevolgen heeft. Verweerder bood bovendien aan om de aflossingsregeling aan te passen op basis van financiële gegevens van appellante. Het beroep werd ongegrond verklaard en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de herziening en terugvordering van de uitkering wordt ongegrond verklaard.