Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:452

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/1012 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar per 4 augustus 2022 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zij stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan aangenomen en dat de geselecteerde functies niet passend zijn.

De medische beoordeling, gebaseerd op een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, concludeert dat appellante beperkingen heeft, maar dat deze niet leiden tot een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer. De functionele mogelijkhedenlijst van juni 2023 is daarbij leidend. De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel.

De Raad oordeelt dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de medische beoordeling, ook niet ondanks de door appellante aangevoerde toename van klachten en het verzoek om een onafhankelijke MDL-arts. De arbeidskundige beoordeling bevestigt dat de geselecteerde functies passend zijn.

Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

25/1012 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2025, 24/6092 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 4 augustus 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen en kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Voor appellante is mr. De Witte verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als medewerker bediening voor gemiddeld 37,93 uur per week. Op 12 augustus 2017 heeft zij zich ziekgemeld met buik-, reuma- en vermoeidheidsklachten. Bij besluit van 22 juli 2019 heeft het Uwv geweigerd appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 10 augustus 2019 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 14 februari 2020 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 juli 2021 het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de 4 juli 2022 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.2.
Naar aanleiding van een door het Uwv op 4 augustus 2022 ontvangen melding van appellante van verslechtering van haar gezondheid is zij onderzocht door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juni 2023, geldig vanaf 4 augustus 2022, waarbij ten opzichte van de einde wachttijd beoordeling twee aanvullende beperkingen zijn aangenomen, namelijk lichte beperkingen voor frequent buigen en langdurig staan. Een arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid van 15,63% berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 11 juli 2023 geweigerd appellante met ingang van 4 augustus 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 28 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsartsen hebben de darm-, rug- en psychische klachten bij de beoordeling betrokken. Er is geen reden in verband met deze klachten meer beperkingen aan te nemen. De stelling van appellante dat zij vanwege haar darmklachten inmiddels tien tot twintig keer per dag naar het toilet moet, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven anders te oordelen, omdat in de voorhanden medische informatie geen onderbouwing wordt gevonden voor de door appellante gestelde frequentie van het toiletbezoek. Uitgaande van de juistheid van de FML van 20 juni 2023 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de geschiktheid van appellante voor de geduide functies.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat zij als gevolg van haar darmproblematiek, rugklachten en psychische klachten sterk beperkt is voor arbeid. Volgens appellante was in 2022 sprake van een sterke toename van haar darmklachten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een overzicht van haar huisartsbezoeken in 2022 en 2023 overgelegd. Appellante heeft de Raad verzocht om een MDL-arts als onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen getrokken conclusie. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de huisartsjournaalregels vanaf mei 2022, waarin de buikklachten en diarree en behandeling staan beschreven, en een aantal onderzoeken waaruit geen afwijkingen bleken, bij zijn beoordeling heeft betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de klachten ongewijzigd als functionele buikklachten kunnen worden beschouwd. Daarbij heeft hij overwogen dat appellante de frequentie van de diarree als zeer hoog blijft benoemen, maar dat dit bij diverse contactmomenten niet is geobjectiveerd, en het imperatieve karakter ervan evenmin. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding geven om de juistheid van dit medisch standpunt in twijfel te trekken. Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat er geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
5.3.
Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) C.E.A. Tessemaker