Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:453

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/1674 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 47,84% in WIA-uitkering

Appellante heeft zich ziekgemeld met cardiale problematiek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek een arbeidsongeschiktheid vast van 15,28%, waarna aanvankelijk geen uitkering werd toegekend. Na bezwaar werd dit percentage verhoogd naar 47,84% en een WIA-uitkering toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze vaststelling ongegrond en handhaafde het besluit.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was, omdat informatie van specialisten ontbrak en zij meer beperkingen had, waaronder een vervoersbeperking en energetische beperkingen. Ook stelde zij dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. Het UWV handhaafde haar standpunt en verwees naar een gewijzigde medische situatie in 2025.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. De medische en arbeidskundige onderbouwing was zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. De toekenning van een IVA-uitkering in 2025 weerspiegelt een latere verslechtering, maar leidt niet tot een andere beoordeling per 31 januari 2022. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per 31 januari 2022 terecht is vastgesteld op 47,84%.

Uitspraak

25/1674 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juli 2025, 24/2429 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 31 januari 2022 heeft vastgesteld op 47,84%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.Z.U. Viragh, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Viragh. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als labelaar voor 36,03 uur per week. Op 3 februari 2020 heeft zij zich ziekgemeld met cardiale problematiek. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 april 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 15,28%. Het Uwv heeft bij besluit van 27 juli 2022 geweigerd appellante een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 19 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan appellante per 31 januari 2022 een WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 47,84%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft als gevolg van de combinatie van de medische problematiek reden gezien om een iets verminderde energetische belastbaarheid aan te nemen en de fysieke belasting iets meer te beperken. De gewijzigde belastbaarheid is neergelegd in de FML van 27 november 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante berekend op 47,84%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 januari 2022 op 47,84% heeft vastgesteld.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Er zijn geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie miste om tot een zorgvuldige beoordeling te komen. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd waarom geen aanleiding werd gezien om nadere informatie in te winnen. De rechtbank heeft opgemerkt dat de in beroep overgelegde informatie van na de datum in geding is. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkingen heeft gemist die voortvloeien uit de klachten van appellante.
2.2.
Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom niet meer beperkingen worden aangenomen. Voor de toekenning van huishoudelijke ondersteuning en de deeltaxi gelden andere criteria. Ook is voldoende gemotiveerd dat op grond van de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid, geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking voor een stoornis in de energiehuishouding. In de FML is rekening gehouden met de energetisch beperkingen van appellante. Er zijn beperkingen aangenomen voor fysiek inspannend werk en voor werktijden, in die zin dat appellante niet ’s nachts en niet in ploegendienst of onregelmatige diensten kan werken. Appellante heeft verder niet toegelicht en onderbouwd, en uit de aanwezige medische informatie blijkt niet, dat een (verdergaande) urenbeperking aangewezen is.
2.3.
De beroepsgronden hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest, omdat ten onrechte geen informatie is opgevraagd bij de hartchirurg, longarts en reumatoloog. Zij heeft fysieke en mentale beperkingen. Ook heeft zij een vervoersbeperking, want zij heeft inmiddels een scootmobiel. Daarnaast is zij energetisch beperkt, wat blijkt uit haar dagverhaal. De geselecteerde functies zijn niet geschikt gezien haar belastbaarheid. Recent is aan appellante een IVA-uitkering toegekend, terwijl haar toestand niet wezenlijk is veranderd vergeleken met de datum in geding.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn dezelfde als de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. Verder heeft het Uwv zich, onder verwijzing naar de stukken behorende bij de beoordeling per 2 februari 2025, op het standpunt gesteld dat in 2025 sprake is van een andere medische situatie en andere medische beperkingen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 47,84% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
Ook de in hoger beroep overgelegde informatie over de toekenning van een IVAuitkering per 2 februari 2025 en bijbehorende beoordeling, leidt niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat op 2 februari 2025 sprake was van een situatie van verergering van ziekte of gebrek ten opzichte van de datum 31 januari 2022. De verzekeringsarts heeft in 2025 geconcludeerd dat de uitval in 2023 is veroorzaakt door voortschrijdende psychische, cognitieve, energetische en lichamelijke problematiek op basis van poly-artrose, myofasciale pijn, oud myocardinfarct, COPD gold II en stress/spanningsklachten. Ook wordt gerapporteerd dat appellante in februari 2025 haar linkerenkelband heeft gescheurd, waarvan zij op datum onderzoek nog steeds klachten en beperkingen ondervindt. Appellante heeft daarbij aangegeven dat de afgelopen tijd de klachten zijn verergerd. Niet is gebleken dat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn per 31 januari 2022.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellante, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 47,84%, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.E.A. Tessemaker