ECLI:NL:CRVB:2026:457
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid door UWV
Appellant betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV, die per 10 december 2021 was vastgesteld op 48,08%. Hij stelde dat hij meer medische beperkingen heeft dan door het UWV aangenomen, waardoor hij de geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen inzichtelijk en deugdelijk had gemotiveerd en dat de door appellant ingebrachte rapporten geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die aanleiding geven tot twijfel aan de vaststelling.
De medische beoordeling door het UWV was zorgvuldig, met meerdere onderzoeken en rapportages, waarbij ook aanvullende beperkingen werden opgenomen. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren bij de vastgestelde beperkingen. De rechtbank had eerder het beroep ongegrond verklaard, maar de Raad vernietigde deze uitspraak vanwege een gewijzigd besluit van het UWV dat het arbeidsongeschiktheidspercentage verhoogde.
De Raad ging uitgebreid in op de verschillende geschilpunten zoals handelingstempo, lopen, cognitieve beperkingen, en urenbeperking, en volgde daarbij de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad oordeelde dat er geen grond was voor het benoemen van een deskundige en dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid juist had vastgesteld. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 48,08%.