ECLI:NL:CRVB:2026:46

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
24/1619 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wmo 2015

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere beslissing van de rechtbank Rotterdam. Appellante had een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had deze aanvraag afgewezen, omdat er herhaaldelijk sprake was geweest van onverantwoord pgb-beheer en appellante niet over voldoende regievermogen beschikte om een verantwoorde pgb-vertegenwoordiger te kiezen. De rechtbank had het beroep van appellante tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk verklaard, wat de Raad onterecht vond. De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk procesbelang had, omdat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kon zijn voor toekomstige aanvragen. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, maar verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waardoor de weigering van het pgb in stand bleef. De Raad veroordeelde het college tot betaling van proceskosten aan appellante en het vergoeden van het griffierecht.

Uitspraak

24/1619 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2024, 23/841 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 15 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het college terecht heeft geweigerd aan appellante een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te verstrekken op grond van de Wmo 2015. De Raad oordeelt dat de rechtbank het beroep van appellante tegen deze weigering ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad verklaart het beroep van appellante – na beoordeling van de gronden – ongegrond. Het college was bevoegd om het aangevraagde pgb te weigeren en van deze bevoegdheid gebruik te maken. Daarmee blijft de weigering om aan appellante een pgb te verstrekken in stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Z.M. Nasir, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Voor appellante is mr. Nasir verschenen via beeldbellen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Hielkema, eveneens via beeldbellen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1956, ondervindt beperkingen in haar dagelijks functioneren. Om die reden heeft het college aan appellante met een besluit van 11 september 2019 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt voor sociaal en persoonlijk functioneren, ondersteuning en regie bij het huishouden en ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid, voor de periode van 25 maart 2019 tot en met 21 maart 2021.
1.2.
Met een besluit van 16 september 2020 heeft het college de maatwerkvoorziening met ingang van 28 september 2020 ingetrokken, omdat appellante en haar pgb-vertegenwoordiger niet in staat zijn de aan het pgb verbonden taken goed te verrichten. Appellante voldoet hiermee niet aan de voorwaarden voor een pgb. De rechtbank heeft de besluitvorming van het college in stand gelaten en de Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [1]
1.3.
Appellante heeft zich op 5 oktober 2020 opnieuw gemeld bij het college en weer een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb aangevraagd, met dezelfde pgbvertegenwoordiger.
1.4.
Met een besluit van 14 januari 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet in aanmerking komt voor een pgb, omdat er herhaaldelijk sprake is geweest van onverantwoord pgb-beheer en appellante niet over voldoende regievermogen beschikt om een verantwoorde pgb-vertegenwoordiger te kiezen. Appellante kan enkel gebruik maken van zorg in natura. Omdat appellante heeft vermeld dat zij geen gebruik wil maken van zorg in natura, wordt de aanvraag van een maatwerkvoorziening afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van procesbelang. Volgens de rechtbank is de periode waarover de eerder ingetrokken maatwerkvoorziening liep, inmiddels verstreken. Ook de in het ondersteuningsverslag vermelde periode van een jaar voor de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura, die liep tot 10 december 2021, is verstreken. Omdat appellante nadien geen nieuwe aanvraag voor een maatwerkvoorziening heeft ingediend, is volgens de rechtbank geen sprake van een situatie waarin een inhoudelijk oordeel over het besteden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Verder is niet gebleken dat appellante kosten heeft gemaakt, dan wel dat een betalingsverplichting is ontstaan wegens geleverde ondersteuning. Het standpunt van appellante dat procesbelang is gelegen in het feit dat een inhoudelijk oordeel afdwingt dat het college serieus naar haar volgende aanvraag zal kijken, volgt de rechtbank niet. Met een nieuwe aanvraag zal het college namelijk opnieuw onderzoek moeten verrichten. De rechtbank heeft tot slot het college veroordeeld tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat er wel procesbelang is omdat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang is voor een toekomstige periode/aanvraag. Er is sprake van een weigering. Appellante wil nog steeds een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Het indienen van een nieuwe aanvraag zal zinloos zijn, omdat het college zal verwijzen naar het bestreden besluit.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep tegen het bestreden besluit nietontvankelijk heeft verklaard. Hij doet dit aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesbelang
4.2.
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [2]
4.3.
Appellante wenst een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Met het bestreden besluit heeft het college haar aanvraag afgewezen. Met het instellen van beroep en hoger beroep wil appellante bereiken dat aan haar alsnog een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt. Dit resultaat kan zij bereiken en het realiseren van dat resultaat zou voor haar ook feitelijk betekenis hebben. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is in dit geval geen sprake van een periode die al verstreken is. Nu het college heeft geweigerd aan appellante een maatwerkvoorziening te verstrekken is er geen voor de beoordeling van het procesbelang relevante periode aangevangen. Dat in het ondersteuningsverslag van 10 december 2020, dat ten grondslag ligt aan de besluitvorming van het college, is geadviseerd om voor een jaar een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura te verstrekken, maakt dit niet anders.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat appellante procesbelang heeft en dat de rechtbank haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad zal dit beroep alsnog beoordelen.
De weigering van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
4.5.
In haar beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat het college ten onrechte, met verwijzing naar de eerdere intrekking van de maatwerkvoorziening, haar aanvraag heeft geweigerd. Het college heeft zich niet op het standpunt kunnen stellen dat er herhaaldelijk sprake is geweest van onverantwoord pgb-beheer. Appellante heeft erop gewezen dat de zorgkosten in 2019 gewoon zijn gedeclareerd bij de Sociale Verzekeringsbank en dat verschillende omstandigheden, waaronder de taalbarrière, de lockdown ten gevolge van Covid-19 en het ontbreken van een klik met medewerkers van de gemeente, ertoe hebben geleid dat er in 2020 niet optimaal is gedeclareerd.
4.6.
Deze grond slaagt niet. De weigering van het college om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te verstrekken berust op artikel 2.3.6, vijfde lid, onderdeel b, van de Wmo 2015. Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een pgb te weigeren als het eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdelen a, d of e. Niet in geschil is dat het college met het onder 1.2 genoemde besluit van 16 september 2020 toepassing heeft gegeven aan onderdeel d van laatstgenoemde artikel. Daarmee staat vast dat het college bevoegd was om het gevraagde pgb te weigeren. Wat appellante heeft aangevoerd ziet op de omstandigheden die voor het college aanleiding zijn geweest om het besluit van 16 september 2020 te nemen en kan niet leiden tot het oordeel dat het college geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de hernieuwde aanvraag van appellante om haar een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te verstrekken te weigeren.

Conclusie en gevolgen

5. Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet, voor zover aangevochten, worden vernietigd. Uit 4.6 volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat de weigering om appellante een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te verstrekken, in stand blijft.
6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Daarnaast moet het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 6 januari 2023 ongegrond;
  • veroordeelt het college in de proceskosten in hoger beroep van appellante tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.

(getekend) K.H. Sanders

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.6
(…)
5. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren:
voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;
indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e.
Artikel 2.3.10, eerste lid
1. Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen,
de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten,
e cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden,
de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.

Voetnoten

1.Uitspraak van 16 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2036.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.