In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere beslissing van de rechtbank Rotterdam. Appellante had een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had deze aanvraag afgewezen, omdat er herhaaldelijk sprake was geweest van onverantwoord pgb-beheer en appellante niet over voldoende regievermogen beschikte om een verantwoorde pgb-vertegenwoordiger te kiezen. De rechtbank had het beroep van appellante tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk verklaard, wat de Raad onterecht vond. De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk procesbelang had, omdat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kon zijn voor toekomstige aanvragen. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, maar verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waardoor de weigering van het pgb in stand bleef. De Raad veroordeelde het college tot betaling van proceskosten aan appellante en het vergoeden van het griffierecht.